Omtrek [een short short-story]
Vanuit mijn raam kan ik nog net zien dat een jongen een laatste
witte lijn op de stoep verft. Hij pakt zijn kwast en pot en rent
de hoek om. Druppels verf pletsen achter hem aan. Verder geen
mens te zien in de hele straat, op die tekening na dan. Van de
slordige witte lijnen is met enige fantasie een menselijk figuur
te maken. Alsof kinderen uit de buurt een beginscène van een
tv-detective naspelen. Alleen zijn ze het politielint vergeten,
loopt er nergens een kereltje met regenjas en hoed aantekeningen
te maken en staat er geen lijkwagen waarin de eigenaar van die
witte omtrekken wordt gedragen. De praktische uitvoering van deze
fantasie gaat misschien ook ietwat ver voor de kinderen uit
mijn buurt. In vertwijfeling kijk ik de straat door.
Een dag later open ik wederom mijn raam en staar verbaasd
naar de bewuste plek. Haast glip ik met mijn handen van de
vensterbank, twee etages naar beneden. Ik ren de trap af en
inspecteer de straatstenen voor mijn huis. Op zoek naar iets
wat er overduidelijk niet is. De straten blijven grauw,
geen resten verf te ontdekken.
Met mijn ogen dicht heb ik op die bewuste straatstenen nog
lang een wit licht gezien dat een omtrekkende beweging maakte.
Maar als een jaar later een dik pak sneeuw de straat bedekt, ben
ik het al lang vergeten.
De dagen erna smelt de sneeuw, onder mijn raam blijft het
echter langer wit dan in de rest van de straat. De temperatuur
is zeker al dagen boven het vriespunt, als ik zie dat het geen
sneeuw is maar verf. Ik buig voorover uit het raam en zie dat
er naast de witte verf ook een plasje bloed ligt. Wat is dit?
Ik twijfel aan mijn waarnemingsvermogen en hoop op de diagnose
hallucinatie, als in een déjà vu een jongetje
verschijnt in de straat. Bungelend aan zijn hand, een verfblik.
Hij loopt recht op zijn doel af en begint de vervaagde lijnen
opnieuw wit te verven. De natte witte verf vermengt zich met
het bloed. Ik vraag hem wat hij aan het doen is. Hij draait
zijn hoofd omhoog, kijkt me laconiek aan, draait zijn hoofd
weer terug en maakt zijn rommelige Keith Haring-kunstwerk af.
Het irriteert me dat hij geen antwoord geeft en ik roep nogmaals
en gebaar druk met mijn armen. Hij pakt het verfblik van de straat
en met zijn kwast in de hand wuift hij mij naar beneden.
In verwarring gehoorzaam ik.
Eerder gepubliceerd in: de Recensent