[ home ]
[ volume 1, issue 1, spring 2006 ]
blue-turns-grey
christiaan weijts
Welkomstkorting
Laat je niks wijsmaken, het begint allemaal heel onschuldig.
Met vingeroefeningen en post bijvoorbeeld. Ik heb geleerd die
twee karweitjes gelijktijdig af te handelen, om er zo snel
mogelijk vanaf te zijn. Je opent alle brieven, zet ze achter
elkaar op de lessenaar en leest ze aandachtig door, terwijl
je vingers ondertussen iets voor zichzelf mogen doen. Als je
het vel omdraait, schuiven ze één toonsoort op.
De post als schijnpartituur. Het is een oude truc van Clara
Schumann, die overigens veel spannendere brieven kreeg dan ik.
In de portiek scheidde ik vanmorgen de post van de reclame.
Er was een Thaise bezorgdienst in mijn wijk gekomen, ik had
een halve ton in een loterij gewonnen, de vissticks waren in
de aanbieding. Dat waren op zich vrij gunstige ontwikkelingen,
maar één brieflogo beloofde minder beste tijdingen:
Politie Amsterdam-Amstelland, district vijf.
Ik wist waar het om ging. Het kwam niet helemaal uit de lucht
vallen. Het had natuurlijk met een vrouw te maken, zoals
nagenoeg alle problemen die mannen zich op de hals halen.
Ik zette de brief op de lessenaar en ging op het krukje zitten.
Beethoven staarde me vermoeid en een tikkeltje bezorgd aan vanaf
de litho boven de piano. Het schijnt dat Beethoven altijd ritueel
met zijn handpalmen over de toetsen wreef voor hij begon,
en daar is wel wat voor te zeggen. Zoals: het klavier ligt
voor je, languit, als een vrouw, onder het dunste zijde. Met
je palmen glijd je over het landschap van haar ribben en wrijf
je de naakte huid tevoorschijn. Je voelt de randen van de toetsen,
je hoort het doffe geratel waarmee ze terugvallen, een voor een.
En langzaam wordt ze wakker. Je ziet het aan haar ademhaling,
voelt het aan toetsen die tot leven komen. Ze draait zich om,
nog slaperig eerst, en gloeit dan, naakt, warm op je palmen.
Je voelt en weet hoe ze vraagt naar meer, hoe ze vingers vraagt,
die je optilt in gevechtshouding, terwijl de lucht zich laadt
tussen je vingertoppen en haar, die oor en stem ineen is.
'Ik geef je een tramkaart,' zei Victoria, toen ik haar een paar
uur kende. 'Voor naar het station.' Uit haar lange suède jas
met witte slierten aan de mouwen haalde ze er een tevoorschijn
die aan twee kanten was te bestempelen.
'Ik heb er nog maar één ritje mee gemaakt dus
you go boy, all the way to Manhattan!'
We stonden bij de tramhalte naast
het Concertgebouw. Het was half zes 's ochtends, het tijdstip
van krantenjongens, hondenbezitters en bezemwagens.
Ze vroeg: 'Kun je me vingeren?'
Later zou ze op dezelfde hebberige toon vaak dingen vragen
als: 'Zullen we pannenkoeken gaan eten met perenlikeur?'
Of: 'Hebben jullie ook autodrop?'(in een tapasrestaurant
aan de Rozengracht). Victoria was grillig in haar
onvoorspelbare verlangens. Ik heb regelmatig in avondwinkels
gestaan om te vragen naar dadels, lychees of een auberginewortelquiche.
'Nu? Hier?'
'Om het te vieren. Om te vieren
dat we elkaar hebben ontmoet.'
Ik kon me niet herinneren ooit een ontmoeting te hebben
gevierd, laat staan op zo'n onorthodoxe manier.
Na afloop trok ze haar schoenen uit en klom ze het bankje
op. Ze droeg sokken met gele en roze strepen.
'Je belt me toch wel?' vroeg ik.
Als je in Amsterdam iemand ontmoette, moest je onmiddellijk
telefoonnummers uitwisselen omdat de kans dat je elkaar zomaar
toevallig weer tegenkwam even groot was als de kans dat je fiets
ergens na twee maanden nog stond. Vingeren gaf geen garanties.
Op mijn simkaart slingerden al genoeg namen en nummers rond
van mensen die ik nooit zou terugzien, kleine grafzerkjes
van twintig digits. Haar wilde ik niet verliezen. Het toeval,
hetzelfde toeval dat ons in dit tramhokje had gebracht, wilde
echter dat mijn batterij leeg was, zodat zij wel mijn nummer
had maar ik dat van haar niet. Pijnlijk helder raakte ik ervan
doordrongen dat onze glanzende toekomst in haar handen lag.
'Ik moet wel,' zei ze. 'Je hebt m'n tramkaart nu.'
'Ah, het is een onderpand ..'
Het meisje dat ik zojuist gevingerd had schoot in de lach.
'Ónderpand? Wat gebruik jij toch woorden jongen.'
Toen ik op het treeplankje van de tram stapte zei ze: 'Kijk eens
naar me.'
Ik draaide me om en keek naar haar.
'Ik wil dat je goed naar me kijkt.'
Haar ogen stonden nu vrij ernstig, als van iemand die van plan
was een verschrikkelijke mededeling te doen.
'Het is heel gek. Ik ken je nu pas een paar uur ..' zei ze. 'Maar
ik heb echt het gevoel dat ik je beter ken dan wie dan ook.'
Vandaag, vrijwel op de dag nauwkeurig twee jaar later, zijn er
aanwijzingen dat de zaken er iets minder glorieus voor staan.
Bewijsstuk nummer één lag voor me. Ik opende de brief,
met dat mengsel van lijdzaamheid en nieuwsgierigheid dat de klappen
van het lot soms iets dragelijker maakt, en zette een b-klein
tertsladder in.
Datum: maandag 29 april 2002
Onderwerp: ontbieding op het bureau
Geachte hr. S. Steijn,
Hiermede verzoek ik u om op maandag 6 mei 2002 te 10.00 uur te
verschijnen in het bureau van politie aan de VAN LEIJENBERGHLAAN
15 te 1082GC AMSTERDAM, teneinde te worden gehoord terzake belaging.
U wordt verzocht deze brief mee te nemen, evenals een geldig
legitimatiebewijs (paspoort, rijbewijs).
Indien u verhinderd bent, kunt u ook ruim voor het vermelde
tijdstip TELEFONISCH contact opnemen. Mocht ik op dat moment
niet te bereiken zijn, gelieve u uw telefoonnummer door te geven,
zodat ik later alsnog contact met u kan opnemen.
Hoogachtend,
H.H. Oostra (13706)
Agent 13706 gebruikt initialen in plaats van zijn voornaam,
waarschijnlijk zodat hij op die manier zijn slachtoffers
onder aan elke brief triomfantelijk in het gezicht kan uitlachen.
Daarnaast moet het caps-lockvertoon in combinatie met wat rake
archaïsmen het hele epistel van een dreigende klankkleur
voorzien. Waar de schrijver, dat moet ik hem nageven, knap in
geslaagd is, want volledig op mijn gemak voel ik me niet.
Op een ochtend lag ik in bed. Victoria kieperde een stapel
kleren uit haar kast, en begon er enthousiast in te rommelen.
Op nogal agressieve toon zei ze: 'Flikker toch op met je fifty
ways to leave your lover.' Ze ging een van de vriendjes die haar
leven passeerden voor het laatst zien. 'Er zijn er maar twee.
Uit de trein springen of eerst wachten tot ie stilstaat.
Luister je?'
Ik luisterde. Ze was, daar kwam het kort gezegd op neer,
nu al zo vaak gesprongen, dat ze wel eens wilde proberen
hoe het beviel om eerst aan de noodrem te trekken.
Ze poseerde voor zichzelf in de spiegelende schuifdeur
van haar klerenkast, in een zwart jurkje dat ze weer uittrok.
Ik ging rechtop zitten om haar borsten te kunnen zien.
(Haar prachtige borsten, daarover hoop ik in de loop van
dit relaas nog veel te zullen spreken).
'Ik ben daar geloof ik niet
zo goed in,' zei ik, 'in dat springen.' Ze wurmde zich weer
in een volgend model, dat sterke gelijkenissen vertoonde met
het eerste, en zweeg.
'Jij kan dat,' drong ik aan, 'genadeloos zijn, en hard. Ik kan
dat niet.'
'Dat komt,' zei ze, geërgerd, alsof het iets was waar
allang algehele consensus over bestond, 'omdat jij een vrouw
bent en ik een man.' En ze liep de deur uit om een relatie te
gaan beëindigen.
Kennelijk beviel de nieuwe tactiek maar matig, want bij mij,
niet veel later, ging ze weer terug op de springmethode. Het
is een gekke gewaarwording als je coupégenoot ineens
uit de trein is gesprongen. Je waagt dan toch nog maar een
telefoontje naar degene die in het weiland ligt na te rollen.
Al was het maar om opheldering te krijgen over de motieven van
de sprong en het eventueel daardoor veroorzaakte letsel.
Ik bleef het vermoeden houden dat bepaalde zaken, al met al
geen futiele details, niet echt waren uitgesproken. In
voicemailteksten en sms-berichten drong ik aan op een reactie.
Nu eens in poëtische, dan weer in prozaïsche
bewoording, of nou ja: van allerliefstlievelingsminimeisje
tot zaadgragechlamydiahoer.
Mijn trein was inmiddels in Florence aangekomen. Ik volgde
een taalcursus aan de Via Pandolfini en had een kamer aan
de Via dei Bardi. Vanuit het bed in mijn slaapkamer
keek ik recht op de Arno uit. Ik stelde Vicky per
sms op de hoogte van mijn prille taalvorderingen.
'Ciao bellissima Vittoria, vorrei andare al lete con te.'
Toen ik op een avond
terugkwam, zei Vicky's voicemail dat ze een nieuw
telefoonnummer had.
'Hallo allemaal, dit is een berichtje van Vicky. Ik heb
alweer een nieuw telefoonnummer. Wil je het weten, dan
moet je even jouw naam en jouw telefoonnummer inspreken,
dan ga ik je zo snel mogelijk terugbellen om het je te
vertellen. Oké, groetjes!' Ik sprak mijn naam
en nummer in. En nog een keer. En nog eens.
En daarna weer een keer of zes. Zeven misschien. Acht kan ook.
Ik hing op en belde direct opnieuw naar Nederland, met de
mededeling: 'Leven kan ik alleen met jou of anders in het
geheel niet. Bel me en zeg iets, het maakt niet uit wat, al
is het het recept voor eierkoeken, maar spreek! Spreek, of
ik spring van de Ponte Vecchio. Wil je dat ik dat doe? Is
dat wat je wilt? Dat ik van de Ponte Vecchio spring?'
Vooruit, ik liet me een beetje meeslepen, maar we waren
in Italië, nietwaar, het land waar je niet kinderachtig
was met het uiten van je gevoelens. Buiten troonde de koepel
van de Duomo vredig boven de stad uit. De maan scheen.
Verliefde stelletjes - of nou ja, in elk geval stelletjes,
de rest wist je maar nooit - liepen onder mijn raam over
de Lungarno Torrigiani.
De volgende avond stuurde ik een sms: 'Jouw zwijgen pijnigt
mij.' En de avond daarna: 'Pace non trovo e non ho da
far guerra.' Meesterlijk door Liszt op muziek gezet
trouwens, laten we dat niet vergeten. Laten we dat in
godsnaam niet vergeten.
Victoria belde niet terug. Wel stapte ze het politiebureau
bij haar in de buurt binnen (op hoge hakken, die holle galm
sloegen uit de gladgepoetste vloer). Gewapend met haar
mobieltje vol bewijsmateriaal stond ze aan de balie om
aangifte te doen van stalking ('belaging' voor
de fijnproevers).
Artikel 285b. Victoria Fabers kende haar klassiekers,
al was deze pas aangenomen in het begin van de nieuwe eeuw,
die gelijk al een paar flinke opdonders had gekregen.
Vaak denk ik dat het geen
toeval is dat het allemaal min of meer tegelijkertijd in
de wereld is gekomen: verdubbelde horecaprijzen,
massaterrorisme en artikel 285b.
1. Hij die wederrechterlijk stelselmatig opzettelijk
inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met
het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen
of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig
aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten
hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.
2. Vervolging vindt niet plaats dan op klacht van hem
tegen wie het misdrijf is begaan.
Nee, dat moest er eens
bijkomen. Als ze iedereen zouden oppakken die met zekere
stelselmatigheid eens anders voicemail insprak, dan
kon de hele wereld evengoed gelijk één
grote gevangenis worden.
Ik heb de stand van de
planeten tegen. Dit jaar zijn er nieuwe beleidsregels
uitgevaardigd die 'huiselijk geweld' tot speerpunt van
justitie maken. Elke klacht leidt in principe tot een
zitting, daar komt het kort gezegd op neer. Nu kun je
van mijn tijd met Vicky veel zeggen, behalve nu juist
dat zij huiselijk was, maar de beleidsregels
van het Openbaar Ministerie, die ik op internet vond,
zijn onverbiddelijk:
Huiselijk geweld is
geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het
slachtoffer wordt gepleegd. Hieronder vallen lichamelijke
en seksuele geweldpleging, belaging en bedreiging (al dan
niet door middel van, of gepaard gaand met, beschadiging
van goederen in en om het huis). Zie bijlage 1 voor een
overzicht van toepasbare strafbepalingen. Als verdachten
van huiselijk geweld kunnen worden aangemerkt: (ex)partners,
gezins- en familieleden en huisvrienden. Verdachten en
slachtoffers kunnen mannen en vrouwen zijn, en kunnen
kind of volwassene (waaronder ouderen) zijn.
Bijlage 1 was nergens te vinden. Ik sloot de computer af,
nadat ik op 9292OV.nl de route had gecheckt naar mijn
afspraakje met agent 13706. Clara Schumann kreeg tenminste
nog aardige brieven van Brahms.
Ik liet de nieuwe Thai langsrijden. De bezorger hield zijn
helm op bij de overhandiging van de spijzen. Wel vroeg
hij vier euro minder dan de folder vermeldde.
'Welkomstkorting meneer,' klonk het uit de helm.
Het eten was niet schrikwekkend lekker of vies. Het was
gewoon gemiddeld, zegmaar. Bovendien moest meegewogen worden
dat ik welkomstkorting had ontvangen. Ik wilde Victoria
bellen. We belden elkaar vaak als we nieuwe woorden hadd
opgepikt.
In bed stelde ik een smsbericht op met de tekst: 'Ik kreeg
vier euro welkomstkorting van de nieuwe Thai. Er is iets
mis met een wereld waarin bezorgers hun helmen op houden.
Trouwens: ik kreeg een brief. Ik ga gehoord worden. Dank, mis
en bemin je.'
Toen ik op dezelfde Ericsson R600 mijn wekker instelde,
realiseerde ik me dat het morgen bevrijdingsdag is.
Uit: ART. 285b - Christiaan Weijts
Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 2006
♦ Christiaan Weijts (1976) werkt als redacteur
voor het Leidse universiteitsblad 'Mare'. In 2003 publiceerde
uitgeverij 'Desolation Row' zijn columns in de bundel 'Sluitingstijd'.
Bij uitgeverij
'De Arbeiderspers' verscheen in mei 2006 zijn debuutroman 'Artikel 285b'.
♦ website:
www.christiaanweijts.nl