[ home ]
[ volume 1, issue 2, winter 2006 ]
blue-turns-grey
arie altena
Neurofysiologie van de poëzie
"The poetics of such a situation / are yet to be found out."
(Charles Olson: A Later Note on Letter #15)
[I] heeft het lezen van moderne poëzie zin?
Wat is poëzie en waarom doet ze er toe? Heeft het lezen van poëzie een
functie, een zin die uitstijgt boven het begeleiden van intensieve
levensmomenten (gelegenheidsverzen) en intellectuele vermaak voor
woordfetisjisten? Waarom zou iemand juist in een post-industrieële
wereld, anno 1999, moderne poëzie moeten lezen? Ontwerp een theorie:
een verdediging van de poëzie, een bewijs dat het lezen van moderne
gedichten zinnig is. Zo'n theorie zal het heden moeten omarmen. Wordt
dat niet gedaan, dan komt het lezen van poëzie buiten spel te staan.
Dan wordt poëzie lezen tijdverdrijf, versjes voor op de WC, of erger,
privé-terrein van wormstekige Wordsworth-kenners achter hun leestafels
in half-verduisterde studeerkamers. Omarmen van het heden, dat is
poëzie lezen niet beschouwen als het moment van "eindelijk tot jezelf
komen", niet als het plekje dat met hand en tand verdedigd wordt tegen
de harde wereld, dat is poëzie lezen beschouwen als integraal onderdeel
van de dagdagelijkse wereld, als element in de strijd.
Men kan zich natuurlijk afvragen of er wel een rol is weggelegd voor de
poëzie. Er bestaan immers effectievere manieren van tekstcommunicatie,
en het is niet moeilijk om een vorm van communicatie voor te stellen
die hetzelfde effect teweeg brengt als poëzie, maar dan met andere
middelen: audiovisuele, interactieve, of beter nog, chemische. Is het
toch mogelijk dat in onze post-industrieële wereld de poëzie eindelijk
in volle glorie verschijnt? Dat er juist nu toekomst is voor de poëzie
bijvoorbeeld omdat voor wie nu leeft poëzie eenvoudig en onmiddellijk
te begrijpen is (de poëzie met zijn multidimensionaliteit, de lezer
gedrilld door reclameboodschappen, double entendres, snel gesneden
films en het vermengen van taalregisters); omdat poëzie een vorm van
taalgebruik is die overeenkomsten vertoont met de structuur van de
ervaring van de huidige wereld?
[II] metaforen en populair-wetenschappelijke verklaringsmodellen.
De wereld van de consumerende westerling: kicken op de half-pipe,
euforie om een voetbaloverwinning, misselijkheid na een avondje zappen,
een roes na de beklimming van de Izoard. Dat is de kern, daar gaat het
om: kicken. Wij leven in een drugscultuur - of we nu drugs gebruiken of
niet. We sporten omdat we verslaafd zijn aan endorfinen of adrenaline.
Je gelukkig voelen of depressief zijn is een kwestie van
neurotransmitters. Een psychische kwaal wordt uitgeschakeld door de
juiste pillen en er zijn smart drugs die je hersencapaciteit vergroten
zodat je intelligenter wordt.
Of, preciezer omschreven: we leven in een wereld waarin gedragingen en
gedachten van mensen beschreven en verklaard worden binnen een strikt
materialistisch, biologisch model. Ons wordt getoond dat wetenschap
bewezen heeft dat gedrag en ervaring op chemische wijze gereguleerd
kunnen worden (sla de krant er maar op na). Binnen zo'n
verklaringsmodel is het mogelijk om elke gebeurtenis, zoals ze ervaren
wordt door een levend wezen met zintuigen, te beschrijven in termen van
de overdracht van een impuls aan zenuwcellen. De zenuwcellen geven de
impuls door aan de hersenen, die op hun beurt niet anders zijn dan een
instabiel, aan constante verandering onderhevig netwerk van
communicerende cellen.
Van macro- tot microniveau, van sociale relaties tot de structuur van
een atoom: overal heerst de netwerkmetafoor. De netwerkmetafoor is zo
goed als constitutief voor het hedendaagse wereldbeeld - je zou bijna
geneigd zijn het te vergelijken met de Voorzienigheid van de
Middeleeuwen. Netwerken en processen, die zich in de netwerken
afspelen, zijn favoriete concepten om bijvoorbeeld sociale en
economische structuren te begrijpen. We spreken over sociale netwerken,
computernetwerken en de netwerkeconomie. Zulke netwerken veranderen
constant door nieuwe input of door autonome processen die zich in het
netwerk afspelen. Deze constante verandering maken het netwerk
feitelijk instabiel. Het zenuwstelsel en de hersenen, de interactie
tussen zenuwstelsel, hersenen, lichaam en zintuigen, ze zijn op te
vatten als instabiele netwerken.
Het is precies de instabiliteit van de netwerken die verandering,
aanpassing en evolutie mogelijk maakt. De instabiliteit waarborgt
daarmee het voortbestaan van het netwerk. Alles is een proces, alles
beweegt, alles is aan continue verandering onderhevig. Deze 'ideologie'
leert dat alleen door verandering ontwikkeling mogelijk is, alleen door
aanpassing overleving. De processen zijn verbonden, beïnvloeden elkaar.
Alles staat met alles in contact. Zonder proces is er geen voortbestaan.
Behalve door netwerken en processen worden het culturele en
wetenschappelijke circuit ook hevig gefascineerd door het virus. Niet
alleen door reëel bestaande biologische virussen of computervirussen.
Het idee dat stukjes cultuur - versregels, melodieën, een idee - , zich
feitelijk gedragen als een virus is inmiddels een cliché geworden
waaraan ook gerenommeerde filosofen en cultuurcritici zich vergrijpen.
De metafoor van het culturele virus (of de "meme" om Dawkins' en de
internet-terminologie te gebruiken) is hangt samen met de
netwerkmetafoor in zoverre dat een virus zich verspreiden kan als er
uitwisseling is in een netwerk.
Processen, communicatie, netwerken, virussen en de alomtegenwoordigheid
van biologische verklaringen: kenmerken van deze tijd. Na de eeuw van
de mechanisatie en het tijdperk van de automatisering zijn we aangeland
in de epoche van de neo-biologie, neurofysiologie en gentechnologie.
Aan wie hebben we dat te danken? Aan het voortschrijden van de
wetenschap allicht en aan de populair-wetenschappelijke verklaringen
van Dawkins, Deleuze & Guattari, de Kevin Kelly's en Stuart
Kauffmannen, die doorgegeven worden in wetenschapsbijlagen en door
trendwatchers als Douglas Rushkoff. We hebben het ook te danken aan het
niet meer uit te vlakken en geradicaliseerde inzicht dat iedereen met
iedereen en alles met alles verbonden is, al is het door nog zo'n dun
draadje, een inzicht dat niet vreemd is aan de ecologie. En natuurlijk
hebben we het te danken aan de communicatietechnologische
ontwikkelingen, niet in het minst de opkomst van het Internet. En was
het Internet niet het mooiste voorbeeld van zelforganisatie?
[III] waarin de gids voorgesteld en in het heden geplaatst wordt.
Wie de poëzietheorie wil aansluiten op de wereld doet er goed aan
pragmatisch te werk te gaan. Je wilt immers gelijk krijgen, dat wil
zeggen overeenstemmen met de heersende verklaringspatronen. De beste
strategie is de metaforen en zienswijzen die de wereld kenmerken
overnemen en ombuigen in het voordeel van het veld dat je wilt
verdedigen. Bij die onderneming kan het nuttig zijn een gids in dienst
te nemen. Een gids van wie je verwacht dat hij bekend is met het
terrein en er een blik op heeft die nieuwe ideeën oplevert; niet een
gids met wie je het van tevoren eens bent, want die zal je ergens heen
leiden waar je wilt zijn en je iets tonen dat bekend is, al heb je het
nooit eerder gezien. Onze gids: een kenner van taal (want we hebben het
over poëzie), een "pseudo"-wetenschapper (vanwege de
populair-wetenschappelijke ideeën die in omloop zijn), een
maatschappelijk-betrokkene (want we willen aantonen dat het lezen van
poëzie zinvol is binnen de samenleving): Inspecteur Lee van de Nova
Politie, alias William S. Burroughs.
William S. Burroughs, Amerikaans schrijver (1914-1997) en wereldberoemd
specialist afkicken, wilde de mens bevrijden van elke vorm van
afhankelijkheid. Zijn doel was vrij te zijn van alle beperkende
invloeden om de wijdsheid en de onbegrensde mogelijkheden van een
ongecensureerde werkelijkheid te ervaren. Drugs, TV, massamedia:
volgens Burroughs zijn het wezensvreemde agenten die de waarneming van
de werkelijkheid bepalen en de mens het zicht op zijn mogelijkheden
ontnemen. Hij voert een strijd tegen mogelijkheidsbeperkende elementen.
(Drugs, overigens, kunnen een wapen zijn in die strijd). Al zijn werk
uit de jaren zestig staat in dat teken: "Prisoners of the Earth, come
out. With your help we can occupy the Reality Studio and retake their
universe of Fear Death and Monopoly."
Inspecteur Lee is één van Burroughs' alter ego's en een hoofdpersoon in
diens Nova Trilogie. In The Soft Machine (1961), The Ticket that
Exploded, (1962) en Nova Express, (1964) wordt de "theorie" uiteengezet
dat taal een virus from outer space is. De metafoor "taal is een virus"
werd Burroughs' handelsmerk, zijn logo voor de subculturele organisatie
die zich ten doel stelt machtsstructuren en de maatschappelijke
beperkingen van de mens te ondermijnen. "Taal is een virus" is
inmiddels een cliché geworden dat zelfs doorgedrongen is tot de
wetenschap. Het is een geheime code die slogan werd, de "Pepsi, the
choice of a new generation" van drugsgebruikende maatschappijkritische
zwartjassen. Burroughs' werd een icoon van een kunstwereld die
underground wilde zijn en tevens geestelijke mentor van cut-up en
sample-artiesten. In hun universum leeft hij voort, als geluidssample:
een gortdroge stem "language is a virus from outer space".
In Nova Express onderzoekt Inspecteur Lee de impact van het taalvirus.
In zijn rapport "Technical Deposition of the Virus Power" schrijft hij:
"It was found out that the binary information could be written at
molecular level, and our entire image could be contained within a grain
of sand. However it was found out that these information molecules were
not dead matter but exhibited a capacity for life which is found
elsewhere in the form of virus. Our virus infects the human and creates
our image in him."
Het virus van informatiemoleculen is de taal. Dit virus is het
zenuwstelsel van de mens binnengedrongen en heeft de structuur van de
hersenen gemodificeerd zodat het er kan overleven. Het heeft ons gehele
bewustzijn overgenomen. De mens is een gastheer en de gast, het virus,
bepaalt wat we waarnemen, wat we denken en hoe we ons gedragen. Het
virus ontneemt de mens de kans om een werkelijkheid waar te nemen die
buiten het virus (de taal met al haar ordeningsprincipes) ligt. "The
word is now a virus. (...) The word may once have been a healthy neural
cell. It is now a parasitic organism that invades and damages the
central nervous system."
Zo'n ziekteverwekker moet vernietigd worden en schrijvers zijn de
uitverkoren bestrijders. Zij hebben de opdracht om de biologische code
te herschrijven door het scheppen van mogelijkheden. Het anti-virus
vaccin dat in Nova Express wordt voorgesteld is de cut-up: het
versnijden van teksten. De functie van de cut-up is deprogrammering van
de door het taalvirus voorgeprogrammeerde hersenen. De cut-up
vernietigt de coherentie van een tekst, de verbanden worden verminkt,
vreemde stukjes tekst worden ingevoegd. Wat een geheel was raakt
gefragmenteerd. (Misschien ontstaan er nieuwe, toevallige connecties -
maar dat is van secundair belang). Blootstelling aan de cut-up moet
uiteindelijk resulteren in het aanmaken van anti-lichamen tegen de
machtsstructuren van taal.
Net als de CIA, sekten en andere hersenspoelers gaat het Burroughs, die
de cut-up zelf ruimschoots toepast, niet om de betekenis van de
boodschappen, niet om codering en decodering van de semantische lading.
Het gaat hem om het programmeren en deprogrammeren van hersenstructuren
door taal. "Taal is een virus" is een sterke metafoor die de invloed
van taal op de ervaring in één zin weet te vangen. Daarnaast is ze de
kern van een aantrekkelijke, fictieve, als wetenschap vermomde
"theorie" die een biologische verklaring van die invloed biedt.
Burroughs' spreekbuis Inspecteur Lee is de maatschappijkritische
pseudowetenschapper die taal als middel wil inzetten om de wereld te
veranderen via de neurofysiologische weg. Inspecteur Lee is een
fictieve taalfilosoof met street-credibility, een undercover-agent die
in de straten in een geradicaliseerde vorm, dezelfde boodschap
doorgeeft die onder andere de poststructuralisten in de academie
verspreiden.
Inspecteur Lee had al in 1960 de boodschap begrepen: onderzoek taal op
het niveau van de cellen, van zenuwen, ziektekiemen, stroomstootjes,
eiwitten. Kijk wat er dan gebeurt. Hoe ziet de wereld er dan uit? Hij
representeert een visie op taal die het primaat geeft aan het
biologische aspect ervan. Een visie die geïnteresseerd is in het effect
van taal, in de veranderingen die ze op biologisch niveau tot stand
brengt. Bovendien is Lee een opposant, hij vertelt hoe men info
handelend naar eigen hand kan zetten en hoe men voorkomt slachtoffer te
worden van wat je omringt.
Naar analogie van al die andere nu zo invloedrijke en succesvolle
materieel-biologische theorieën kunnen we met Lee een theorie ontwerpen
waarin de neurofysiologische effecten van een bepaald soort taalgebruik
beschreven worden. Is er een vorm van taalgebruik die een zodanige
invloed heeft op de hersenen van de mens dat deze opgewassen is tegen
de wereld-van-nu? Plaats Lee in 1999.
Inspecteur Lee is gewend tegen een zichtbare tegenstander te strijden:
de gevestigde orde, de bestaande machtsstructuren. In 1999 lijken ze
verdwenen, alles lijkt opgeslokt te zijn door de netwerkmetafoor. In
het immer veranderende netwerk komen continu nieuwe allianties tot
stand, heeft elke nieuwe input een effect. En, zo blijkt, er is geen
positie buiten het netwerk. Ook Lee's oude buitensporige theorieën
worden moeiteloos geïncorporeerd en onschadelijk gemaakt.
Lee, wiens missie nog altijd dezelfde is, moet toegeven dat deze wereld
niet vraagt om ondermijning van de taal door cut-up. In deze wereld, zo
erkent hij, is het zaak continu nieuwe connecties te maken, en steeds
opnieuw oude connecties af te stoten om de elementen op een andere
manier te kunnen verbinden. Je moet jezelf opvatten als een proces
temidden van processen. Alleen zo blijf je nieuwe mogelijkheden zien,
kun je je onttrekken aan opgelegde werkelijkheden. Om je teweer te
stellen tegen alle virusachtige informatie die er op je afgevuurd wordt
is het nodig om elke keer opnieuw een andere draai te geven aan wat je
ziet en ervaart. Allianties aan kunnen gaan. Verbindingen creëren,
jezelf verbinden met anderen. Blijven bewegen blijkt het devies, en
vooral: kunnen blijven bewegen in je hoofd. Wie vastroest in wat voor
denkpatroon dan ook, die is gezien, die valt ten prooi aan
kwaadaardige, verstarrende virussen. Met achterdochtigheid jegens de
taal kom je niet ver. Deprogrammeren van bestaande connecties voldoet
niet. Het doorsnijden van het bestaande verband en er een toevallige
connectie voor in de plaats stellen, dat is een te magere strategie.
Het is een onvoldoende sterk medicijn om op de been te blijven temidden
van de grote verscheidenheid aan impulsen, in deze draaikolk. Deze
situatie vereist een ander middel. De poëzie.
[IV] Poging tot definitie van de neuro-poëzie
We hebben een neurofysiologische theorie van de poëzie nodig om de
functie van moderne poëzie anno 1999 te omschrijven. Wat is poëzie
wanneer ze beschreven wordt op het niveau van het zenuwstelsel? Wat
gebeurt er wanneer een versregel 'binnendringt' in het lichaam van de
lezer? Welke fysiologische reacties vinden er plaats in de hersenen?
Welke zenuwen vuren, wat is het patroon dat gevormd wordt? Welke
biologische functies vervult dit mentale gedrag? In zulke
neurofysiologische termen over poëzie spreken levert argumenten op om
de functionaliteit van poëzie hard te maken.
Iemand leest een gedicht. Het signaal van de versregels zet zijn
zenuwstelsel aan het werk. Het stuurt impulsen over bestaande
verbindingen, activeert bijna vergeten paden, associeert, probeert
nieuwe verbindingen uit en stoot andere af. Zo kan een enkele impuls
leiden tot een uiterst gecompliceerd patroon van zenuwactiviteit. De
letters op papier worden waargenomen en omgezet in een patroon van met
elkaar communicerende zenuwcellen, een instabiel netwerk. De betekenis
van een bepaalde impuls in een zenuw hangt af van de activiteit van de
andere zenuwcellen. (Uiteraard geldt dit model niet exclusief voor
poëzie, het is bijvoorbeeld met de nodige aanpassingen evengoed
toepasbaar op bepaalde (video)films).
Een volwassen zenuwstelsel maakt geen nieuwe zenuwcellen meer aan, maar
de bestaande dendrieten kunnen groeien en zo de mogelijkheid voor het
aangaan van nieuwe verbindingen bieden. Bovendien kan activiteit bij de
synaps veranderd of beïnvloedt worden door neurotransmitters (stoffen
die aangemaakt worden in de hersenen en zenuwactiviteit versterken of
verbeteren), op dezelfde wijze als geneesmiddelen en drugs dat doen.
Nieuwe weggetjes waarlangs zenuwimpulsen reizen kunnen leiden tot een
nieuwe blik op de wereld, een nieuwe betekenis van de dingen en tot
ander gedrag. Evolutie van de hersenen ligt in de reorganisatie van de
patronen van communicatie tussen de zenuwcellen. Dat werpt de vraag op:
is poëzie een speciale vorm van leren, een mogelijkheid tot
verandering, evolutie? Wat doet poëzie?
Eén van de kenmerken van poëzie is dat wanneer ze gehecht wordt aan een
nieuwe context ze een andere betekenis krijgt. Bovendien zal een
gedicht wanneer het opnieuw gelezen wordt even krachtig zijn als
voorheen. Poëzie is onuitputtelijk. Inspecteur Lee vindt een
toepasselijk citaat van de Russische semioticus Yuri Lotman: "....an
artistic text manifests yet another feature: it transmits different
information to different readers in proportion to each one's
comprehension; it provides the reader with a language in which each
succesive portion of information may be assimilated with repeated
reading. It behaves as a kind of living organism which has a feedback
channel to the reader and thereby instructs him.
Een gedicht, opgevat als een reeks code - vergelijk het met
computercode - is een signaal dat verscheidene dingen kan uitvreten in
de hersenen van haar gast. Bij 'gewoon' taalgebruik (een boodschap die
zonder problemen te decoderen valt) worden zenuwimpulsen over een
bestaande verbinding verstuurd en wordt een bestaand patroon in de
hersenen geactiveerd, dat door de boodschap versterkt wordt. Moderne
poëzie daarentegen stelt het taal- en begripsvermogen op de proef. De
hersenen worden gedwongen steeds nieuwe verbindingen te maken, af te
wijken van de bestaande patronen, het bekende om te keren. Ingesleten
interpretatiegewoontes voldoen maar tot op zekere hoogte om poëzie te
neutraliseren tot een 'gewone' boodschap. Er wordt geen bestaand
patroon versterkt, geen bestaande manier van tegen de dingen aankijken
krachtiger verankerd. Er wordt tot continue beweging, continu
experiment aangezet. De hersenen worden door het lezen van poëzie
getraind in het continu veranderen, een vaardigheid die in het
dagelijks leven in deze wereld van levensbelang is. Want het is
cruciaal dat ze niet vastroesten, dat de zenuwbanen niet ingesleten
raken, dat het zenuwstelsel altijd opnieuw verbindingen en nieuwe
patronen kan blijven aanmaken. Zo blijven ze flexibel en altijd
voorbereid op een strijd vol verrassingen.
Poëzie is een signaal, een stukje code dat dendrieten en axonen ertoe
aanzet continu bezig te blijven met het uitproberen van nieuwe
verbindingen. (Als het een computerprogramma betrof, dan zou het een
metaprogramma dat het besturingssysteem beïnvloedt, geen programma dat
dankzij het besturingsprogramma draait). Er wordt een proces in gang
gezet dat niet afgesloten wordt. Ook wanneer we een gedicht lezen en er
niets van begrijpen is het gedicht effectief. De woorden blijven
doorzeuren, de hersenen blijven, op hoe kleine schaal ook, doorgaan met
het uitproberen van verbindingen. Misschien dat niet een van die
verbindingen uiteindelijk gehandhaafd blijft. Misschien blijft het bij
bewegen alleen. Maar ook dan hebben de hersenen bewogen, en raken ze
beter getraind. Poëzie lezen kan vervolgens een deel van de hersenen,
op virusachtige wijze, herprogrammeren. Dat gebeurt nadat de hersenen
in beweging gezet zijn. De input van de versregels kan de code van het
programma waarmee de wereld beschouwd, waargenomen, geïnterpreteerd en
betekenisgegeven wordt, veranderen. De code hecht zich aan het
programma, infecteert het, en past het aan. Daarna functioneert het
programma anders.
We zouden met Lee kunnen opperen dat er versregels zijn die, wanneer ze
in een menselijke gastheer gepiloteerd worden, de hersenpatronen
programmeren die de mens in staat stellen om complexe info tot zich te
nemen. De code van een versregel heeft als neveneffect (naast het
oproepen van beelden, het activeren van gedeeltes van het taalcentrum)
dat ze de hersenen instrueert een stof aan te maken die ervoor zorgt
dat bepaalde dendrieten en axonen in verhevigde mate voor prikkeling
gevoelig worden en dus constant op zoek blijven naar nieuwe
verbindingen. Poëzie is in zo'n geval de impuls die de hersenen aanzet
tot productie van dergelijke neurotransmitters. Poëzie is een
mogelijkheidsverschaffer: ze stelt de hersenen in staat om de wereld
anders en op verschillende wijzen, te zien.
Omdat taal evenals de wereld constant verandert, kan poëzie gebruikt
worden als middel om veranderingen in de werkelijkheid te volgen, het
hoofd te bieden, voor te zijn. Poëzie lezen is een manier om alert te
zijn. Poëzie is de smart drug die ervoor zorgt dat de zenuwcellen in
beweging blijven, de smart drug die in staat stelt om de elementen van
de werkelijkheid steeds opnieuw in een nieuwe constellatie te ervaren,
die, wie weet, de lezer er zelfs toe in staat stelt de categorisering
van de werkelijkheid voor te zijn.
[V] afsluiting van de verkenning.
Burroughs werk wordt getypeerd door "a willingness to destabilize
accepted categories of meaning". Dat is ook de sleutel tot metamorfose,
aanpassing en, voor de Darwinisten onder u, overleving. Alles beweegt
en de wereld bestaat alleen als proces. Hoe meer een gedicht de lezer
uitdaagt om zijn referentiekaders te veranderen, hoe meer het aanspoort
om nieuwe verbindingen in de hersenen uit te proberen, des te beter zal
de lezer voorbereid zijn op veranderingen, des te beter zal hij kunnen
dealen met de werkelijkheid. Het versterken van bestaande patronen
helpt hem niet. Want voor wie geen nieuwe verbindingen in zijn hersenen
aanmaakt neemt de kans op overleving af. Aldus is een theorie van de
poëzie te formeren die actueel is in een wereld die gekenmerkt wordt
door netwerken en neurofysiologsche verklaringen.
Het is natuurlijk de vraag of het geschetste beeld een
nastrevenswaardige situatie is, voor de mens en de poëzie. Het antwoord
daarop van Inspecteur Lee van de Nova Politie luidt dat het niet alleen
een nastrevenswaardige situatie is maar een noodzakelijke. Zijn geheime
missie is nog immer dezelfde: de boodschap verspreiden dat wie wil
overleven, de taal op neurofysiologisch niveau moet bekijken. Op het
niveau van de zenuwcellen, in de chemische samenstelling van de mens
ligt de mogelijkheid tot verandering en poëzie kan een instrument zijn
om die verandering tot stand te brengen. "Prisoners of the Earth, come
out" roept hij.
Maar terwijl Lee nog dertig jaar geleden de cut-up aanprees als
anti-virus tegen verstikkende taal, kent hij nu de moderne poëzie een
soortgelijke functie toe. De cut-up creëerde door verminking
(eventueel) een nieuwe connectie in taal, het effect ervan op de gast
was deprogrammering. Moderne poëzie creëert juist in de gast continu
nieuwe connecties, houdt de gast alert. De moderne poëzie is een smart
drug.
Poëzie wil niet bevestigen maar op drift laten raken, het zenuwstelsel,
fysiek laten bewegen. Zo krijgt de oude opvatting dat literatuur niet
een bevestiging van de status quo is maar een instrument is om
verandering tot stand te brengen een neurofysiologische, ondersteuning.
Is versregels consumeren inderdaad een manier om hersenactiviteit te
versnellen en op verandering te anticiperen? Of zijn dit niets meer dan
speculaties? "Well...", besluit Lee, "...that's about the closest way I
know to tell you". En als hij uit beeld verdwijnt steekt er een frisse
zuidenwind op.
[some rights reserved]
Arie Altena: juli-november 1998
♦ Arie Altena (1966) is literatuurwetenschapper, publicist
en docent. Hij schrijft over nieuwe media, kunst en cultuur. Hij geeft
lezingen over nieuwe media, personal publishing, literatuur en
hedendaagse kunst. Hij geeft les op kunstacademies. Hij verzorgt
trainingen op het gebied van internet en personal publishing. Hij
vertaalt Engels - Nederlands en Duits - Nederlands.
Arie Altena werkt voor het 'Frank Mohr Instituut Interactive Media and
Environments' (tweede fase kunstacademie Groningen), 'Metropolis M' (tijdschrift voor
hedendaagse kunst), 'Sonic Acts', 'Mediamatic.net', 'CMD Breda'.
♦ weblog:
ariealt.net
♦ teksten:
www.xs4all.nl/~ariealt
© blue-turns-grey.nl, 2006 - 2008