[ home ]
[ volume 1, issue 2, winter 2006 ]
blue-turns-grey
serge van duijnhoven
ZELFPORTRET ZONDER IK
I
de geheimagenten van mijn bewustzijn
schaduwen mijn brein
wie bepaalt er wie de vijand is?
degene die zich in mijn naam
verbasterd heeft van tegenpartij
('en-e-my') tot die ene-in-mij
twee wezens uit hetzelfde nest
ontstaan; mijn lichaam blijkt
bestand. Mijn verstand
gaat kopje onder
in het gistende moeras
van het handjevol verwanten
dat ik was
II
en dan vallen de schellen
van het zelf
dak wordt bodem
droom gewelf
ik ben de magneet
zonder pool
de komeet die vlucht
voor zijn staart
er is een membraan dat ik
van mij gescheiden houdt
een impermeabele wand
die ons binnenstebuiten keert
een stemmetje dat kliert
"haas kipjelekker,
haast je niet"
moet me vloeibaar maken
schoon genoeg en spoelen
dat gemoed, alleen:
mijn bloed
verdraagt mij
niet
MET BEHOUD VAN HUIS
wie vreemdeling is hier was elders kind aan huis
on est tous des étrangers. Reizigers met retourbewijs
op dooltocht door een ruimte die een ieder zich
moet eigenmaken. Eigenwijs is wilskracht die ons drijft
ons leven als het nieuwe land, de grond waarin het graan
nog met de hand wordt uitgezaaid. De haren op ons hoofd
zijn als het riet op de daken. Onze huid is als het barstig leem
van onze stulp. Ons vel schuurt over opgejaagde botten
onze stem roept op zijn mooist om hulp. Wat we zoeken
is rust, asiel in eeuwigheid. Wat we zijn is waar we zijn
gevallen: gewervelde dieren en waaraan ten prooi
als wild in het vizier. Een kudde in de muil van de natuur
we zijn horig en futiel. Stofdeeltjes die opgedreven
krijgen een naam toegewezen. Ook dat wij leven
was niet ónze keus. Alles wat wij zijn is bruikleen
toebehoren aan Tijd alleen; die malicieuze makelaar
en miljardair. Die onze lijven willens en wetens
laat verkrotten. Over onze hoofden speculeert
die ons plukt en uitperst als olijven, uitspuugt
als de pit. Met avondval vertrekken we
sluipen ervandoor. Ons uitreisvisum is de dood
UIT HET KROMME LEVEN (EEN RECHTE LEER)
waar, hoe laat en in wiens naam
werd zij geboren, op welke grond
werd zij gebaard, was het bij avondrood
of morgenstond dat zij ontstond
is zij van origine laf of moedig
is zij telg uit een familie der
hebzuchtigen of klopt in haar
het bloed der moederlijken
en goedmoedigen
aan wie valt de eer te beurt
de enige, rechtmatige te zijn
de erflaatster, de ravissante
gouvernante van háár:
de koppige, de knappe, zij
die geboren werd met het schuim
op de lippen, met het zweet op haar
aanschijn, zij die de lieren beroert
is dat uit een zielstekort of overschot
uit droefenis, gemis of uit plezier
was offervaardigheid haar schoot
ontstond haar passie uit compassie
heeft zij haar lijf gekregen
om te geven of te nemen
is ze gul of zuinig
verschalkt ze alles, laat ze
restjes staan, beperkt zij zich
tot wat haar goeddunkt, is wat ze
verslindt wat zij begeert, is haar lust
een list bedrog belangeloos
en dat hart waar ze zo graag
haar tand in zet, is dat um sonnst
of omdat zij het zelf ontbeert?
♦ Serge van Duijnhoven (Oss 1970) is schrijver,
dichter en historicus, woonachtig te Brussel. Oprichter van
tijdboek 'MillenniuM' en de 'Stichting Kunstgroep Lage Landen'.
Verbleef in Sarajevo voor 'De Morgen' en 'De Volkskrant'.
Debuteerde in 1993 met de dichtbundel 'Het paleis van de slaap'
(Prometheus). Frontman van het muziekgezelschap 'Dichters dansen niet'.
Recente publicaties: '{Balkan} Wij noemen het rozen' (Podium),
'Fotografen in tijden van oorlog' (Ludion), 'Obiit in orbit';
'Aan het andere einde van de nacht' (De Bezige Bij), 'Bloedtest'
(De Bezige Bij) en 'Ossensia Brabantse gezangen' (Jan Cunen).
In het komende jaar zullen van de schrijver twee nieuwe boeken
verschijnen: 'De zomer die nog komen moest' (proza;
Nieuw Amsterdam) en 'Klipdrift' (poëzie + cd; Nieuw Amsterdam).
♦ myspace:
Serge
© blue-turns-grey.nl, 2006 - 2008