doorlopend gedicht
Een associatief gedicht over wijn. Over een paartje dat wijn
drinkt en langzaam samenvalt met het plantersechtpaar
door de weerspiegelende werking van de wijn.
Betekenislagen over dronkenschap, het lichaam van Christus,
over smaak, over meditatie, over dat de schepping weerspiegeld
wordt in één vrucht en in wijn. Geschreven in ecriture
automatique waarbij onduidelijk is hoe helder de auteur.
(Want) dit is mijn bloed
Zonder dat daarvoor een oeverloze woordenbrij nodig is - Elsbeth Etty
Wijn. Wijndroom. Wijnfilm. Wijnavond. Wijnrust. Wijnvak. Wijnhandel.
Wijnonderneming. Wijnwond. Wijnwonder. Wijncursus. Wijnkus. Wijnliefde.
Wijnbloed. Bloedwijn. Wijnmijn. Wijnwijn. Wijnwereld. Wijnfamilie.
Wijnland. Vaderland. Cabernet Sauvignon.
Kelder van Schaapveld. Wit of rood?
Een pen.
Rood natuurlijk.
Een spijker.
Rood is een kleur, wit is niets.
Een kerkhof.
Wit is waar rood op vlekt
Een vrouw.
Wit is wat wacht op rood.
Maak maar open.
Als een fruitvlieg in een wijnfles, dronken drijvend, zwemmend in bedwelming,
een mooie dood om in geboren te worden, mee te drijven met het woord wijn,
drank, dronken, gedronken, droesem, drenken, drenkeling, klotsend, kotsend, zeeziek
Hier ben ik, iedereen ziet me rommelen in mijn verlichte huis,
mijn glazen huis, mijn huis van wijn, geest in een fles
Een woordenboek nodig om in een vreemd land een woordenboek
aan te schaffen in een vreemde taal, een mes nodig om het mes
uit het plastic te snijden, een fles wijn soldaat maken voor je ten aanval kunt
Zoekend om zijn as als een draaikolk een dronken mol omlaag
in zijn eigen spoor een slang door de dorre kurk.
Een glimmende haak brokkelt door het plafond voor het eerst in jaren
Een putdeksel gaat open, twee gezichten boven de rand en licht
Dan draait heel de wereld om om heel de wereld.
Wat ruik je, Proef je. Druif? Land. Zon schijnt in het glas,
niet als zon maar vloeiend, spoelend in het licht. Extract van zon
Daar is ze, geen weerspiegeling maar een glimp
in het donkere vocht of bocht dat erin weerspiegelt, afzinkt,
zo dalen zij erin, omdat ze ruiken boven hun glas, wijn rolt
door hun monden, wijn, deze wijn hebben we nog niet eerder geproefd,
lekkere wijn, waar heb je die wijn vandaan, gekocht, gekregen.
Ze kijken omlaag, diep beneden wacht de diepte van de put, zwijgend
Oneindig diep vallen in een dieprode donkere zwarte zee
waarin ze zouden kunnen ronddwalen zoals ze de woorden
die ze tegen elkaar zeggen, proeven. Deze wijn heb ik bewaard
voor een speciale gelegenheid, speciaal voor jou, ik heb jou bewaard
voor deze wijn. Nog niet op temperatuur. Even geduld a.u.b.
Maar wijn smaakt gaandeweg niet altijd beter, sust zij,
bedwelmt de drinker zichzelf. De wijn wacht in het diepe,
ver onder de smalle gang naar het licht, wacht op de tijd
het moment dat de ziel omhooggestuwd wordt als zuurstof in de wijn
Ze houdt zich slapend maar ze weet alles - een geest in een fles
Ze blijft daar en door de middelpuntvliedende kracht,
aantrekkingskracht wordt wijn tot wijn
Ze zitten rond de ronde glazen, rond de fles, de ronde tafel,
het etiket van de fles draait in hun handen, huis van de wijn
Hoe de landheer en zijn vrouw de wijn proeven, er is geen God
dan god dan wijn, dan de druif die in de wijn valt, de kringen naar binnen,
geen god dan middelpuntvliedende kracht. En toen ze genoeg gedronken,
toen hij haar genoeg geschonken had schonk ze hem een kind
Ze planten hun gezin hier, hun familie het geslacht van druiven,
een wijntak. Doordrenkt van dit bouquet drinken ze hun wijn
bij het ontbijt en als slaapmuts; schoner dan water
uit de put die broeierig bijna schuimend ligt te dromen op het erf,
met het water waar de wijnranken mee besproeid worden heeft de wijn
niets te maken, wijn is het sap van de zon en de mineralen uit de bodem
Wijn is de vloeibare middag op een schilderij van een dromerige pointillist
Dit is wat hij haar aanbood toen ze voor het eerst op het landgoed kwam,
giechelig als een beaujolais, goed land voor een landgoed,
dat ze ervan dronk, al kijkend, tot de bodem waar hij opgegroeid was
tot de man die haar het rijke glas reikte
Zoals loom namiddaglicht de ogen langzaam verblind,
zoals stilte onhoorbaar kan suizen als stilte, zoals ze elkaar aankijken
en niets zien dan het licht in elkaars pupillen haar smaakpapillen
langzaam in slaap uit blijdschap om dat hij blij is van haar blijdschap
om hem, dat hij blij is met haar en ze niet kan stoppen met kijken,
met een ongeziene hand probeert te proosten op hun geluk en zacht
klanggeluid maakt, dat golft als de wijn in het bewegende wegdraaiende glas
een echo rimpelend over het oppervlak van een droom van wijn een drup-
pel valt op de houten vloer van de kamer als bloed maar morgen lijkt dat
aangelengd met water en vervlogen wat zo zwaar
op de bodem van de smaak lag. Een vlek droogt op aan de randen.
Want een vlek was een druppel, die bol staat van overvloeien,
dat wat bedwelmt vervliegt en dat wat smaak uitdraagt droogt in
dat wat kleur geeft loopt af naar de randen tot het komt bij de rand
van de vlek en daar kleurt het waar de druppel viel. Morgen lijkt het
op een bloeddruppel, maar onecht, te vaag, te waterig, te flets,
de essentie verdwenen, bij wijn proef je de zuren het eerst nietwaar,
maar het is bloed, bloed van wijn. Uiteindelijk druipt de vlek af
Wat blijft is schaduw
Klang klinkt: heel de wereld heft ze, heeft ze in haar glas
De zomer en haar diepe blijdschap maar ook de trieste herfst,
onbezonnen lente, ernst van de winter. Stel een sneeuwlandschap,
ja dan dus stel dat je hier de druiver plantel wil, ze wat water
gaf, dat zou kunnen want water smelt en watermineralen zijn
waar ijs van gemaakt is in de gloeiende pootwind probeer je de stokken
overeind te houden en als het zonnetje dan komt kunnen de druivens
gaan loeien en als ze dan op een fijne kamertempelaltuur zijn
kun je haar broeven en denken aan een marme plaats in de widdagzon,
pardon. Want je moet, jazekers, moet altijd dwonken zijn,
om geen gemartelde slaaf van de kater te wijn. Alles kan ik verdragen.
maar jonge katers, echt zuur nog, nee. Daar ben ik werkelijk nuchter in
Wie de geest van de wijn wekt, zijn geest wordt door de wijn gewekt
Wens wat je wil. Wijn is klokkende tijd die smaakt naar verwachting
Alles klopt aan wijn. Alles wat je niet oogst en in wijn perst kun je zaaien,
druif uit druif, wijn uit wijn. Bij haar wederbezoek zal ze wijn meebrengen
en steeds vaker zullen ze bij elkaar op bezoek komen en wijn drinken,
ze drinken van elkaars bezoeken, dorsten naar elkaars komst elke avond
het glas heffen, een zachte kling, geluidgeworden flonkering,
kijk naar haar ogen, kijk naar het glas, verdrink in haar
Druif. Een druif is geen druif, druif. Duifje. Olijfje
Wijn smaakt naar lange middagen van denken, van groeien,
tijdloosheid, uitgestrektheid van de wijngaarden, de bergflank,
van vergeten hoeveel werk het was. Ze smaakt naar wijn,
de druif, haar naam, haar verschijning, hij kiest een fles
niet met verstand; laat je niet voor de gek houden door wijnproevers
Ze weten niet wat ze zeggen, beredeneren achteraf wat ze proefden
Iets wat zo duur is moet wel goed smaken - hij kiest de wijn op
het etiket, een etiket is een titel van een film, het omslag van
een gedicht, het papier waarop de noten gevangen zijn
Hoe de letters er bij staan, ranken in het gelid, hoe de vorm
van hun vertakkingen is, hoe het landgoed eruit ziet,
hoe de eigenaar, zijn vrouw, hoe zij samen wijn drinken,
of hij nerveus afwacht wat de proevers van de oogst vinden
of dat hij vertrouwt op zijn grond, de ligging van zijn hellingen,
hoe stroef de wijnranken zich kronkelen rond de leidstokken,
hoe knoestig de wortels, zijn geloof in het uitbotten ervan,
of ze luisteren naar zijn geloof er is geen god
dan god dan die van de druiven, of ze lachen om zijn grapje
over hoeveel wijn Jezus gedronken had voor hij geloofde
dat je van water wijn maken kon. Je bent in mijn bloed,
je maakt me dronken en dorstig, en wat in mij is is in jou,
alle wijn ter wereld is een wijn, op dezelfde manier gemaakt,
alle druiven die op dezelfde manier groeien, een druif gaat zijn gang,
weet wat hij moet doen, past zich aan maar dat is schijn:
puur om druif te kunnen zijn. Druif wil druif zijn, waar dan ook,
uit alle macht, hoe dan ook, vechtend, de zon zoekend
en eenmaal gevonden uit pure vreugde imiterend,
uit bollingen uitbottend bollend, gloeiend van sap,
alles wat hem tot druif maakt
Zoals een kind de taal leert waar je het te vondeling legt
zit overal ter wereld een woord voor wijn in de grond,
overal ter wereld wentelt de zon over de hellingen
en net zo bol wellen de druiven en glimmen ze aan de takken
en net zo glimt de dame aan deze tafel hier in het glas
En nu, na alles, de droom die na de dag komt, nu de nacht valt
als een vat rond de wijn die daarin rijpt, nu is het tijd,
wijnen worden zelden vriendelijker van bewaren
Nu walst ze, traant ze in de glazen, alcohol en glas trekken vreugde aan,
hoe hij haar aan zag komen lopen naar de deur de kurk op deze avond,
met die dansende passen. Als ze weggaat kijkt hij haar na, druppel
die van het glas traant, glinsterend, met de hele avond in zich,
hij likt aan de rand van het glas om te proeven hoe ze proefde,
te smaken hoe het haar gesmaakt heeft, lippenafdruk, lippenstift,
wijn of het bloed van de bloedrode flessenhals waarin de wijn
nadat ze het glas had opgetild en de vrouw te hebben opgetild
weer omlaag is gegleden hij snijdt zijn tong en kan een nacht
niet spreken
In de wijn is rust, wijn is geduld,
suikers en zuren houden elkaar in evenwicht,
framboos, peer, eikel, hout en aarde,
zand, water, rivierbeddingen, klimaten, en geologische redenen,
in cirkels naar binnen geconcentreerd, droog en sprankelend,
brute wijn, rauw als de grond, een hap gloeiend middagzand
een slok onrijpe druif, en tijd... wijn is de vingerafdruk van de wereld
Wijnkenners durven het niet op te schrijven: bloed en traan,
sperma van de wereld, zweet, wijn is de doodsdrift van de druif,
vechtend tegen verdronken en vergaan drijven in zichzelf,
zoals hij zal leven om haar, haar zal dragen, hun huwelijk
evenwicht vanuit een evenwicht dat zichzelf draagt
Wijn is hoe hij haar wil en zij hem en de trage beslistheid
waarmee ze haar glas neerzet en over het hout
naar het glinsterende glas loopt en vraagt of hij
mee naar buiten of binnen zoals vanmiddag
Het is hoe ze wil dat hij vindt dat ze lekker ruikt en weet
dat zij dat wil en hij ziet haar zoals hij haar ziet, het is goed
zoals het is: wie alles wat hij weet probeert te proeven,
en als ze hem verrast vraagt wie ze is
Zeg het met wijn. Wijn houdt van mensen. Dat is wederzijds
Ik ga voor wijhijn. Wijn, wie anders. Er is geen betere
Wijn, dat scheelt. En niet weinig. Wijn. Leuker
kunnen we het niet maken. Wel bezopener
Wijn, het meest veelzijdige slokje druif. Wijn!
Dit is een wijnvat, alles wat ik erin laat vallen
Alles wat ik in het café schrijf over wijn. Breng ik dit tot
een goed einde? Iedereen ziet me verdrinken in mijn wijn
Wie begint met decanteren mag niet meer stoppen
anders haalt de droesem hem in. Wijn gist en blijft dat doen,
zoals alles met alles in contact treedt werkt de wijn zelfs nog
in het glas en ademt net zo goed als wij dat doen en blijft dat doen,
werkt zelfs nog in je maag en stopt nooit
Hoe duur was de wijn? Niet te duur, dat schept verwachtingen,
dat je veel gelegen is aan haar bedwelmen,
de afdronk is het parfum van de smaak als ze voorbij is
maar hoe kan een vrouw zich kleden met smaak?
Maar wat als de wijn te goedkoop is, een oppervlakkige dronkenschap,
een wrange nasmaak van de ontmoeting, als er te veel op de fles staat,
wijn om de wijn, drinken om te drinken, wat is een normaal bedrag
dure wijnen worden almaar goedkoper, kelders lopen leeg,
ratten snuffelen aan kurken, wie maakt me los
Zij tekent met een natte vinger de omtrek van haar vraag
ze tekent dat waar hij doorheen kijkt, wat gevuld kan met wijn,
en langzaam staat haar vraag op, haar lege glas zingt door de kamer
En hij herhaalt haar vraag, is dit wat je wil, dat is wat ik ook...
ze lachen want wie het hetzelfde wil vinden wij sympathiek,
die bieden wij een glas aan
Ik schrijf dit dronken op en zij is weg, ze komt terug,
zonder de pen van het papier te halen zonder te stoppen
met tikken als een hart dat doorgaat, een glas per avond is goed
voor het hart, zoals vroeger de typistes in een groot lokaal
in een groot ritme de letters sloegen, roeiden over een zee van letters,
papier, van inkt, begeleid door iemand die de maat sloeg
Het spoelen van de wijn door mijn aderen, bloed in de fles
Wie dronken is weet dat niet. Dronkenen roepen meestal harder
dan nuchteren dat ze niet onder invloed zijn: ze spreken de waarheid
maar ontkennen dat luid
Hoe hij haar hand pakt alsof hij het glanzende glas oppakt
en haar naar zijn mond brengt en zij proeft dat ook,
ze komt achter hem aan, hij kijkt om, hand in hand lopen ze
met hun glazen in hun handen en wijzen elkaar
de bloemen en het uitzicht en ze weten niet wat ze proeven
Dit is een lied over een plant, een groene plant, een mooie plant,
een veeleisende plant een stille een dromende ja een bijzondere plant,
het gaat over de cabernet sauvignon oftewel Bordeaux
We slaan alles verder over en kijken naar de druif. Een goede druif
is al minstens tien generaties op deze grond groeit en bloeit
Sommige mensen zeggen dat ze niet geƫxporteerd kan worden,
dat bordeaux niet uit Zuid-Afrika kan komen, maar dat is een kwestie
van domein, zeg ik. De goede druif knip je na de oogst van de rank.
Er is gedoe met krenten, en andere druiven laat men juist extra lang hangen
maar dat is allemaal maar een zijtak. Druiven weten zelf het beste
hoe ze moeten groeien dus laat maar gaan dat gaat wel goed
dat wordt prachtige bordeaux. Net zo goed als Coteaux dus Gennois. ja ja.
En dan nu geduld. Rustig laten rijpen. Druifje is nog jong, hoewel rijp;
op je tenen langs de vaten dus. Dan wordt het groter En groter en groter
En het wordt zelfs nog Groter en groter en groter En het wordt dikker
En dan komt het najaar en de tijd voor de oogst. De druiven haal je binnen
.Je perst ze en giet het vocht in een eikenhouten vat. En dan wacht je 1 2 3
en een half jaar, tot ze op dronk is En als ze dan dronken is, dan komt het
belangrijkste van de cabernet sauvignon: het uitzoeken. Want de slechte,
daar krijg je hoofdpijn van. Ik wel. De slechte, daarvan krijg je
een betonnen hoofd. Dus die gooi je weg.
En je drinkt alleen de goeie en daarvan krijg je geen betonnen hoofd
en daarvan krijg je geen hoofdpijn en daarvan wordt je niet draaierig
maar daarvan wordt je zo goedgeluimd als wat dan ook. Dat is onze eigen
cabernet sauvignon. Daarvoor hoeft niemand in Nederland in een benauwde
kas druiven te krenten. Cabernet sauvignon, klaar, bon
De wereld is van wijn, wie wijn proeft, proeft haar in alles.
De regen die overal is geweest is in de wijn
Hij kan haar keuren als een fles, op het etiket, een fles is een fles,
waarin de ziel onderin gevangen is, een loze huls, hij ziet haar alleen
in de verte, fantaseert een geur en de geur fantaseert een smaak
want een fles is reukloos en een kurk onverbiddelijk, de glans van een fles
verraderlijk, de tijd onverbiddelijk, alleen in een volle fles worden beiden
weerspiegeld, een lege toont alleen haar doorzichtige leegheid
Liefste, blijf stil zitten nu. Even. Echt stil blijven zitten nu. Zo, ja,
zo kan ik precies met mijn linkeroog ons samen nog in het bodempje
wijn samen zien.... nee ik kijk je aan nu, met twee ogen gaat dat moeilijk
...zal ik dat... stil blijven zitten nu, zal ik dat, rechtstreeks, wij, dat ik,
en dat ik proef hoe jij smaken zal naar de wijn die ik drink?
Vader spoelde altijd zijn eten weg met drinken. Met wijn. Ik haat dat,
om het te horen, het te zien, het te weten, smaken die niet combineren
combineren, alsof ik het dan ook proeven moest
Moeder vond hem op een avond in de gang met zijn broek
op de enkels en zijn schoenen op het toilet. Hij reageerde op niets
Ze dacht een hartaanval, belde de buren in paniek.
Pas in het ziekenhuis kregen ze uit hem dat hij vergeten was
dat hij al twee flessen wijn op had en van niets meer weten kon
Hij dronk nooit, in de zin van drinken, al was er altijd wijn in huis
In restaurants moest hij altijd de wijn proeven, men verwachtte
dat hij de man was die het allemaal wist. Maar hij wist niets,
proefde niets. Hij was de man die niet kon kiezen.
Hij proeft de wijn, de druif, de kleur, de grond, de kalk en mineralen
die daar verdwalen, de warmte van de zon en de warmte in de aarde,
van een dromerig pointillistisch schilderij door oogharen bezien, loom,
geduldig, het grondwater, de bron van de put op het erf, rivierbedding,
de rivier, het pad van de plantage naar het landhuis, het stille landhuis
dat alleen wakker is als er geoogst wordt en zoveel jonge mannen
en vrouwen daar logeren. Hoe hij daar weg wilde, middagen en
avonden in het dorp stuksloeg, in de wachtkamer van het station,
hoe hij alleen hier sliep en rijpte, verder op het pad dat stoffig ligt
en na een rondje zijn weg vervolgt en slaperig naar de kruising
met de hoofdweg leidt en over de hoofdweg naar het dorp
langs het café waarboven de postbode woont die ooit met de auto
een hond aanreed en tegen de eigenaar onhandig grapte
hij gaf gas omdat hij dacht dat het een rat was en een klap
door het openstaand raam incasseerde maar de volgende morgen
uit dat raam op straat zijn caravan zag staan, maar nu geheel rood,
waar bezwete fietsers zonder hemd geen ijs krijgen bij het loket om
de hoek van de nog stillere zijstraat dan de hoofdstraat waar de man roep
dat er geen schaafijs voor onbeschaafdenen is voorbij de slijterij,
de pastorie en het gemeentehuis naar de wegwijzer op de driesprong
naar de provinciale weg en afslag voorbij het bruggetje over de beek
die langs het kleine kerkhof naar de plantage voert langs Eva die nooit
zijn Eva kon zijn, Eva met haar man, net als toen Eva met de lippen
als openbarstend vruchtvlees en de tranen langs haar mooie mondhoeken
om het kind dat er al was en haar man die een tweede wilde
en dat daarom vrijen niet als vrijen voelde, langs de schaduw
van de bomen links daarover en de bries die voelbaar is daarin
en het spel van licht door het lover op het asfalt
langs het kreupelhout en veldbloemen die daar bloeien in het stof
en zo de wereld in
© Hanz Mirck 22/01/07 voor blue-turns-grey.nl met dank aan Estelle
Boelsma en Nicolaas Klei. Premiere op 19 januari 2007 in het
Huis van Puck, Arnhem.