[ home ]
[ volume 1, issue 2, winter 2006 ]
blue-turns-grey
mirjam pool
Springen
Ik hou niet van sneeuw omdat je daarin altijd sporen achterlaat.
Je kan nog zo ver proberen te springen, ergens moeten toch je voeten
landen. Het is ook gevaarlijk want je kan er lelijk op uitglijden.
En sneeuw is saai, want de schaduwen zijn allemaal hetzelfde.
Allemaal van hetzelfde grijs op dezelfde ondergrond.
De zomer is ook niet goed want dan zijn de schaduwen te klein.
Ik doe het alleen maar in het zonlicht. Ik hou niet van lampen,
en met lantaarnpalen gaat het heel gek. Dan haal je steeds jezelf in.
Voor achter, hak teen, spring sluit. Daar gaan we weer.
Het liefst draag ik er broekrokken bij. Mama klaagt wel eens
dat ik ze nooit in de was doe. Dat komt omdat ik anders een
broek moet dragen. Een broek zit veel te strak, dat gaat echt
niet fijn. En rokken zijn helemaal erg, want die gaan te veel
hun eigen weg. Een broekrok zwiert met m'n benen mee,
precies goed. Broekroekrok tralala. Stap nou maar weer verder.
Eerst de linker, dan de ander, vier tot aan de fietsenstander.
Mijn opa zei wel eens, die Rosa dat is een lichtvoetig meisje.
Dat heb je met oude mensen, die gaan van die rare dingen zeggen.
Dacht hij nou echt dat ik met lichtjes zou gaan lopen? Volgens
mij zijn die batterijen veel te zwaar om aan mijn enkels te binden.
Bij ons is het op zaterdag lekker druk in de winkelstraat. Dat
is de leukste dag en de leukste plek, want de mensen lopen af
en aan. Je kan het namelijk met iedereen spelen en er dan
bijvoorbeeld punten bij geven. Een grijze meneer is het meeste
waard, een kind met een ballon het minst. Gympies geven bonus.
Door hoge hakken laat ik me liever niet tikken. Ik ben altijd
bang dat dat pijn doet.
Het is zo ontzettend leuk dat ik eigenlijk niet begrijp dat niet
iedereen het doet. Ik ben er heel handig in geworden.
Mijn schaduw kan ik alle kanten opsturen als ik dat wil. Je
moet goed zijn met je voeten en je evenwicht kunnen bewaren. Wat
je dan moet doen is ervoor zorgen dat mensen je schaduw aanraken.
Of juist niet, dat hangt van de regels af. Het is zó leuk,
want je hebt alles zelf in de hand en bijna niemand heeft je ooi
door. De mensen zijn vaak met hele andere dingen bezig.
Je kan het zo moeilijk maken als je zelf wilt, dat ze bijvoorbeeld
op je hand moeten gaan staan of op je buik. Ik heb ook eens een
uurtje hart gedaan, maar daar was ik nog heel lang verdrietig van.
's Nachts droomde ik van al die vreemde voeten die mij vertrapten.
Het is ook leuk om met de stoepranden en de lijnen op de weg
te spelen. Met hondenpoep kan het heel grappig zijn, als je het
maar voorzichtig doet.
Je moet er trouwens altijd goed bij uitkijken. Voor je het
weet bots je tegen iemand op. Ik ben een keer heel hard tegen
een bord geknald dat bij een terras stond. Het was zo'n houten
monnik met een glas bier in zijn hand. Mijn knie lag helemaal open.
Hinkstapstap op de tredentrap. Langs de leuning naar beneden.
Soms verzin ik er liedjes bij die ik hardop zing. Mensen kijken
er soms raar van op, maar meestal durf ik wel door te gaan. Ik
onthoud lang niet alle liedjes. Het is de kunst om op elke
lettergreep te springen. Soms is dat een sprongetje en soms een
hele grote. Je kan bijvoorbeeld ook vreemde pasjes maken en
één voet laten staan. Met de andere tik je dan
eerst de tegel voor je aan en daarna die van opzij of achter je.
Als er geen echte tegels zijn kun je ze voor jezelf bedenken.
Als het regent, als het echt heel hard regent en de plassen veel
te groot zijn, dan moet ik in huis blijven spelen. Mijn broer
klaagt altijd dat ik te veel dreun als hij op zondagmiddag naar
de radio zit te luisteren. Ik ga meestal gewoon door en zing
dan iets waar hij heel boos om wordt.
Oplawaai oplawaai, kan het niet wat zachter.
Aflawaai aflawaai, Feyenoord staat weer achter.
Feyenoord, dat is iets met voetbal. Misschien is dat
ook wel wat voor mij.
Voor een paar plekken heb ik vaste liedjes. Op het plein
voor de kerk, waar grote stenen liggen met van die brede
voegen, zing ik altijd hetzelfde. Doemeniet doemena
doemedominee. Daar kun je heel fijn op springen. Doemeniet
doemena doemedominee. Als ik er tegen de avond ben, voordat
ik naar huis moet om te eten, komt er vaak een man voorbij.
Het is een lange meneer die er altijd netjes uitziet. Soms
blijft hij even luisteren naar wat ik zing en dan glimlacht
hij. Dat ben ik, zegt hij dan, ik ben de dominee. Ik begrijp
niet waarom hij dat zegt. Hoe kan hij dat nou zijn als hij niet
mee springt? Ik heb hem nooit gevraagd of hij mee wil doen,
want het is mijn spelletje. Maar ik weet dat hij liegt want
hij snapt mijn liedje niet.
Vandaag ga ik naar de spoorwegovergang. Ik wil weten wat er
gebeurt als de trein over mijn schaduw rijdt. Misschien doet
het wel pijn, maar misschien ook niet. Als er mensen op mij
staan voel ik het ook niet behalve als ze op mijn hart trappen.
Maar een trein is natuurlijk wel even wat anders dan een schoen.
Papa mama mandarijn wij gaan met de boemeltrein.
Als straks de spoorbomen neergaan, komen er allemaal auto's
en fietsers te staan. Ik wil liever alleen zijn als de trein
komt, dus ik stap bij de overgang de spoorberm in en loop een
eind door het gras. De zon staat lekker laag. Als ik mijn gezicht
naar de rails wend staat ie pal in mijn rug. In de verte zie ik
de trein al aankomen. Het is een lange trein. Joepie, het is
een dubbeldekker. Dubbeldekkers zijn het leukst, want ze hebben
lage ramen en dan kan je mooi naar binnen kijken. Hij komt
dichterbij en ik heb zin om mijn lied te zingen en te springen.
Ik moet stilstaan, anders mislukt het. Stil stil blijf nou staan.
Hij komt eraan, hij komt, hij komt. Dengeboem dengeboem, wat
dendert dat. Dichterdichterbij, ik móet zingen. Papa
mama mandarijn! DENGEBOEM DENGEBOEMBOEM. Ik kan mezelf niet
meer verstaan. Hij is er. Nu. Mijn schaduw verschijnt op de
trein. Een donker silhouet op de gele wand. Mijn schaduw staat
rechtop tegen de trein. Ramen, deuren, reclameplakkaten schuren
langs z'n rug. Het is druk in de trein. Dengeboem, dengeboem, het
gaat zo snel. Het is zo dichtbij dat ik het niet goed meer kan zien.
Papa mama mandarijn! Bijna, bijna is hij voorbij, maar ik kan het
niet meer en sluit mijn ogen.
De herrie dreunt na in mijn oren. Met mijn ogen dicht probeer
ik mijn evenwicht te bewaren. Ik probeer me te herinneren wat
ik net heb gezien. Er was iets vreemds, dat weet ik. Ik pers
mijn lippen op elkaar en knijp mijn ogen samen. Er was iets.
Dan komt het beeld weer binnenrijden, een trage trein zonder
geluid. Ik zie mijn schaduw over de romp gaan, over de ramen.
De ramen. Nu zie ik wat er was. Mijn schaduw gaat over het glas
en in een flits zie ik mijn eigen spiegelbeeld. Flits flits.
Raam, wand, raam, wand. Bij de ramen zie ik steeds mezelf,
heel even, maar duidelijk. Ik ben het. Waar er mensen zitten
zie ik ze vaag door mij heen schemeren. Waar is mijn schaduw?
Moet ik soms boos op hem worden omdat hij het zo laat
afweten? Ik open mijn ogen om hem te zoeken.
Roerloos ligt hij voor me, dwars over de rails.
Eerder gepubliceerd in 'Optima'
♦ Mirjam Pool (1974) publiceerde verhalen in 'Optima',
'Bunker Hill' en 'De Gids'. Momenteel werkt ze aan een literair
non-fictieboek over armoede in Nederland.
♦ website:
www.mirjampool.nl