[ home ]
[ volume 1, issue 2, winter 2006 ]
blue-turns-grey
chantal vrouwenvelder
Een man uit duizenden
Daar gebeurde het weer. Hij stond in het gangpad van de trein
en langs hem schoof een oudere dame om even verderop te kunnen
gaan zitten, op de lege plek naast haar man. Ed maakte zich groot,
sloot zijn ogen en voelde als in slow motion haar borsten langs
zijn rug glijden; het ronde, volle vlees in zijn rug gedrukt.
Een siddering schoot omhoog vanuit zijn lenden tot in zijn nek
en schouders, die ongecontroleerd schokten. Niemand lette verder
op elkaar in de gestaag voortdenderende coupé. Men keek uit het
raam, strak over de velden, of las de krant. Ed loerde een beetje
vissig om zich heen.
Na een staande reis van een
half uur kwam hij aan in Leiden. Ed was al jaren niet meer in deze
stad geweest, maar hij wilde per se naar de Breestraat omdat daar
een winkel zat waar ze stijlvolle maatpakken verkochten. Niet dat
hij er een nodig had, maar een collega van hem praatte altijd
uitgesproken lovend over de maatpakken van echte zijde en
grofwol die hij daar kocht. Vanochtend tijdens het ontbijt
herinnerde hij zich het ineens en het leek hem een mooie dag
voor een maatpak.
Het was nog vroeg in de
middag toen hij zijn afgesleten leren instappers op de mat van
de winkel plaatste. Ergens achter in de zaak klonk een gesmoord
belletje, waarop na enkele seconden een frisgeschoren man vanuit
het achterkamertje op hem afstapte.
'Wat kan ik voor u betekenen?,'
vroeg hij met een romige stem. Ed wist niet zo goed wat hij met
deze directe benadering aan moest en had gehoopt dat de man als
vanzelfsprekend begonnen zou zijn. Hij liep weg naar een rek met
jassen, waar hij zijn vingers doorheen liet glijden.
'Of wilt u soms nog even
rondkijken?,' ging de verkoper verder. Na nog wat aarzelend
geschuifel voor het jassenrek, draaide Ed zich om.
'Ik moet een pak,' liet hij
zich uiteindelijk ontvallen.
Met die woorden leek hij een
startschot te hebben gegeven, want de verkoper begon van alles uit
de kasten te halen. Broeken werden aangereikt, jasjes voorgehouden
en stofstalen hield hij tegen het licht. Als er dan tussendoor toch
een vraag werd gesteld, bleek een simpel knikje of een afkeurende
blik voldoende om de verkoper weer in gang te zetten.
Ed, eerst nog wat onwennig voor
de spiegel, liet zich van alle kanten betasten. Met een meetlint
omwikkelde de verkoper steeds weer een ander lichaamsdeel. Ed was
zo aan het genieten van zijn vlugge bewegingen, dat hij hem niet
durfde aan te kijken, bang dat de verkoper er dan mee op zou houden.
Bij het opmeten van de beenlengte, waarbij de jonge man even
neerknielde op de gepolijste lakvloer, liet hij toch even zijn
blik schuin afdwalen. Vingers. Vingers zag hij; vliegensvluchtig
zijn been beroeren met het gele lint. Een lichte tinteling ontstond
op de plaats waar de verkoper zojuist nog zijn duim had laten rusten
en zette de haartjes op zijn scheenbeen als versgemaaid gras
stekelrecht omhoog.
Toen de jonge man stilhield,
had Ed het eerst niet door. Met de accuratesse en snelheid van
een seismograaf waren de bewegingen van de verkoper geregistreerd
en vertaald in getallen. Als meneer zou willen, kon het pak
binnen drie dagen nog geleverd worden. De bon werd gepresenteerd.
Ed vroeg lichtelijk geschrokken of hij even gebruik mocht maken
van het toilet en liep met snelle, tikkende passen in de richting
die de wijsvinger van de verkoper aanwees.
Vlug trok hij de deur
achter zich dicht en begon zijn broek los te knopen. Nog half
verdoofd van de vele aanrakingen liet hij zijn gezwollen
geslachtsdeel uit zijn broek veren. Hij gaf er een paar korte
rukjes aan om zijn gespannen lijf te ontladen. Bevangen door
de genotsgolf die hem doorspoelde, liet hij zich klaarkomen in
zijn hand. Het slijmerige zaad veegde hij af aan de achterkant
van de handdoek die keurig over een ijzeren staaf aan de muur
hing. Ed wachtte net zo lang in het kleine wc-hok tot hij het
belletje van de winkelmat hoorde en er verzekerd van kon zijn
dat de aandacht van de verkoper elders was. Toen liep hij veel
te snel weer naar buiten, de straat op.
Op de Breestraat
knipperde hij een paar keer met zijn ogen tegen het felle licht.
Daarna schoot hij snel de Kortejanssteeg in. Een grauwte overviel
hem. Met driftige passen liep hij weer richting het station.
De mensen om hem heen leken echter alle tijd te hebben.
Ze slenterden oneindig langzaam rond de marktkramen die hij
tegenkwam op zijn pad.
Ed was al bijna bij
het station toen hij weer wat rustiger werd. Op een leeg bankje
aan de Stationsweg liet hij zich neervallen. Hij rommelde wat
in zijn jaszakken en diepte een inelkaar gedrukt stuk
leverworst op, dat al donkerbruin begon te kleuren aan de randen
van het plastic dat eromheen zat. Lusteloos zette hij er
zijn tanden in en begon het omhulsel leeg te zuigen, de
voorbijgangers gadeslaande. Langzaam plette hij het korrelige
vlees met zijn tong glad tegen zijn verhemelte. Tot het op was
en er niets meer overbleef dan een leeg omhulsel met wat
aangekoekte resten.
Bewegingloos staarde
hij naar het plastic. Hij dacht aan vroeger, aan Voorhout en
het grote schoolplein waar ze altijd overlopertje speelden
met de klas. Eigenlijk mocht hij nooit meedoen, maar als de
juf erbij stond, moesten ze hem wel laten meespelen en dan
won hij altijd. Niemand die zijn handje wilde vasthouden in
de slinger van kinderen in het midden. Alle overlopers die
afgetikt waren, voegden zich bij de slinger en het werd zo steeds
moeilijker om over te lopen, behalve voor Ed, de
wrattenkoning, die nooit getikt werd.
Ed stond op van het
bankje en strompelde verder richting het station. Hij mompelde
een beetje in zichzelf en schokschouderde zo nu en dan. Niemand
leek hem op te merken. Ed krabde wat aan een paar donkere
wratten op zijn linker slaap. Uit een van de wratten sproten
wat haartjes omhoog. In het station koos hij de eerste de
beste roltrap uit naar boven, naar het perron. Hij wenste
dat hij met secondelijm zat vastgeplakt aan de treden en de
zwartrubberen steunband en zo zou worden meegetrokken onder
het perron door de diepte in.
Boven aan werd hij
door een lichte druk op zijn voorvoeten gedwongen het perron
op te stappen en moest hij even zijn evenwicht hervinden.
Ed keek naar het uithangbord waarop de verwachte aankomsttijd
van de trein stond aangegeven. Het was vijf uur. Nog vijf
minuten, dan zou de intercity met een razende vaart het
station binnenrijden. Hij liep naar de kiosk en haalde
een warme kop koffie. Nog drie minuten wachten. Onrustig
liep Ed wat heen en weer op het perron en tuurde in de
richting van aankomst. Na enkele seconden verscheen daar de
trein, steeds prominenter aanwezig in zijn gezichtsveld.
Uiterst geconcentreerd
schuifelde Ed steeds verder naar de rand van het perron,
zijn ogen nog steeds gericht op het aandenderende gele gevaarte.
De trein was al iets in snelheid geminderd, maar kwam
evengoed nog als een dolle het station binnen. Ed leek naar
de trein toe gezogen te worden, een lichte wind trok al
aan zijn haren, zo dicht was hij de rand genaderd. Met
zijn ogen dicht wachtte hij het moment af. Tot het daar
was.
Met een doffe
plof opende de pneumatische deuren van de trein en stroomden
tientallen mensen de trein uit. Over zijn armen, achter
langs zijn rug. Ed bleef roerloos midden voor de geopende
deuren staan en voelde hoe hij betast werd, hoe hij aangetikt
werd. Als lemmingen storten de mensen zich om en over hem
heen en vervolgens sleurde een nieuwe stroom hem mee naar
binnen. Half verward nog van de aandacht die zijn lichaam
had gekregen, zocht hij schuchter een nieuwe strategische plek.
♦ Chantal Vrouwenvelder is neerlandica. Ze heeft na
haar studie Nederlands de master Redacteur/editor afgemaakt
in Amsterdam en studeert momenteel psychologie. In haar vrije
tijd is ze redacteur van literair tijdschrift 'Lava'
en schrijft ze zelf met enige regelmaat verhalen.
© blue-turns-grey.nl, 2006 - 2008