[ home ]
[ volume 2, issue 1, spring 2007 ]
blue-turns-grey
jerker spits
Friesland
Als mijn lichaam aanspoelt, zullen mijn ogen even onbevangen de wereld inkijken als die van een kind dat aan de voeten van zijn moeder speelt.
In mijn studietijd logeerde ik vaak bij een oudtante in Bolsward. In de kleine keuken van de oude stadswoning bereidde ik mijn avondeten. Ik sliep op een stoffige studeerkamer en volgde 's avonds met geveinsde belangstelling het lokale nieuws van Omrop Fryslân, terwijl mijn oudtante anijsthee dronk. Op de televisie was een grote sticker met het logo van de Evangelische Omroep geplakt. Ik deed boodschappen voor mijn oudtante en groette de overbuurman als hij, om zich heen loerend, zijn fiets uit het vervallen schuurtje haalde dat hij met mijn oudtante deelde. Een norse Fries met een stompe neus en donker borsthaar dat stoer uit zijn blauwe overall krulde. Hij werkte als rietsnijder. Voor mij een raadselachtig beroep. Mensen werkten in fabrieken of, zoals mijn vader, in stugge kantoren.
's Ochtends vertrok ik naar het IJsselmeer, om over de dijk uit te kijken. Urenlang staarde ik naar het water. Het rook naar schapen en vers gemaaid gras. Ook als het regende, keerde ik pas laat in Bolsward terug. Meestal kwam ik tot Workum, zette mijn fiets tegen de trap en keek uit over het water, met links van mij het kerkje van Stavoren en achter mij de boerderijen met hun uilenborden en zwanenhalzen.
Op een dag snuffelde ik in de zolderkasten van mijn oudtante. Tussen streekromans en de vijfdelige geschiedschrijving van Algra vond ik vier eerste drukken van Vestdijk. Terug in Leiden besloot ik 'Ina Damman' zelf te houden. Met de drie andere Vestdijks slenterde ik op een regenachtige woensdagmiddag over de markt. Het rook naar gebakken vis, loempia's en verschraald bier uit studentenkroegen. De man met de grootste verzameling ongelezen boeken van Leiden - een gebergte aan de voet van de Hooglandse Kerk - keek mij verbaasd aan, maar ik ving vijftig euro voor elk boek. Bij het volgende bezoek aan mijn oudtante doopte ik haar woning 'Huize Vestdijk'.
Twee jaar geleden is mijn oudtante overleden. Ze bezweek in het ziekenhuis tijdens het bezoekuur, met mijn moeder en mijn oma - haar zus - aan haar zij. Mijn familie heeft Huize Vestdijk aangehouden en aan mij uitgeleend om tot rust te komen. Sinds vijf weken verblijf ik in het oude huisje aan de Haverschmidtlaan. De televisie staat op zolder, voor de antieke boekenkast met Algra en de streekromans. De rietsnijder haalt nog steeds, zes dagen per week, zijn fiets uit het oude schuurtje, nu samen met een jongen van een jaar of twintig. Zijn zoon, neem ik aan.
De afgelopen weken heb ik vaak teruggedacht aan vroegere tochten die ik vanuit Huize Vestdijk ondernam. Naar de Hegewiersterfjild, waar boven de zoute kwel zeekraal en gerande schijnspurrie groeit, naar de Wijnaldumse stinzen en de Slachtedyk van Blauwe Stien, waarlangs tijdens de trek bosruiters en bontbekplevieren neerstrijken. Eenmaal ben ik, scholier nog, door mijn ouders bij het Lauwersmeer afgezet. Het was een koude, maar zonnige winterdag met een strakblauwe lucht. Ik wilde die dag naar de ganzen kijken. Ik kan mij nog goed herinneren hoe ik na vieren de overgang van schemering naar duisternis gadesloeg. Kort voordat het laatste zonlicht het riet achter de dijk verlichtte, liet een baardmannetje zijn roep horen, als een vergeefs protest tegen de ondergang van de bij daglicht levende wereld. Hij klinkt als het geluid van vallende muntjes. Een half uur nadat de donkerte was ingetreden, zag ik de koplampen van een grote sedan over de Dokkumerweg naderen. Ik wist meteen dat het mijn ouders waren. Ik bleef op mijn hurken op de dijk zitten, zodat mijn vader mij nauwelijks had opgemerkt. Maar het schijnsel van de koplampen was op mijn jas gevallen. 'Dwaas', zei mijn vader toen hij als een dreigende gestalte voor me stond. 'Meekomen!'. Mijn vader tilde mij aan mijn arm op. Voordat ik meeliep, draaide ik mij nog eenmaal om naar het wassende water.
Ook op die dag wilde ik niets liever dan op de dijk blijven zitten, al viel er geen vogel meer te zien. Het zal wel een van die handelingen zijn, die mijn ouders hebben doen besluiten mij kort voor mijn eindexamen bij een psychiater aan te bevelen. Menno vertoonde 'vreemde trekjes' en 'eenkennig gedrag'. Wat volgde was een treurige mars door geestdodende instituties, waarbij de uitvreter in mij alleen nog op zichzelf parasiteerde. Elke goedbedoelde poging door mijn verschansing heen te breken, vergrootte de angst als tegenwicht.
Wel ben ik er als etholoog intussen in geslaagd van mijn starend ideaal mijn beroep te maken. Ik hoef niet mee te doen in het circus van verwachtingen en drogbeelden, maar kan mij terugtrekken achter een waas van observaties.
*
Na mijn biologiestudie ben ik aan de universiteit verbonden gebleven. Als jonge onderzoeker tel ik heel wat zorgen meer dan als student. De afronding van mijn proefschrift is er een van.
Met mijn promotor, hooggeleerde Onderwater, had ik begin oktober een gesprek over de voortgang van mijn onderzoek.
'Kun je even komen, Menno?', vroeg hij, toen ik met een stapel boeken van de universiteitsbibliotheek terug kwam. De colleges waren twee weken tevoren begonnen. Ik was na een lange zomer niet meer de enige in de studiezaal. Ik volgde Onderwater naar zijn ruime kamer. Op zijn bureau lag een stapel ongecorrigeerde werkstukken.
Doordringend keek hij mij aan met zijn ravenogen, waarvan nooit een bedoeling af te lezen valt. Onderwater beduidde mij te gaan zitten. Ik zonk in de driezitsbank naast zijn boekenkast weg.
'Ik wil open en eerlijk tegen je zijn, Menno', stak Onderwater van wal. 'Het lijkt me beter dat je de komende maanden vrij neemt.'
Voor zijn kamer stond een groepje studenten te roken. Een van hen, een jongen met donker, sluik haar, keek naar binnen. Zijn blik kruiste de mijne.
'De laatste tijd kom je wat warrig over. Dat is niet alleen mijn indruk, maar ook die van anderen.'
Ik moest toegeven dat ik de laatste tijd van binnen wat onrustig was.
'Ik weet, vervolgde Onderwater, 'dat je behandeld bent. Daar hoeven we het nu niet over te hebben, als je dat liever niet wilt ...'
De jongen trapte met zijn schoen zijn sigaret uit.
'Maar als jouw promotor', hernam Onderwater zich, 'voel ik me voor jou verantwoordelijk. Ik weet ook dat je het moeilijk vindt voor jezelf rust te vinden. Maar ik zou wel graag willen dat je dat deed. Het lijkt me echt verstandig als je de komende maanden vrij neemt.'
Dat maak ik zelf wel uit, dacht ik. Maar ik zei: 'U heeft gelijk'.
Onderwater glimlachte, terwijl hij voor even zijn ogen sloot. Toen stond hij op. 'Over je proefschrift zou ik me geen zorgen maken, jongen. Je eerste hoofdstukken zijn veelbelovend.'
Ik glimlachte flauw, en schudde zijn koude hand.
Aldus was besloten. Ik moester 'er even uit', want dat zou mij 'goed doen'. Ik dacht aan het huisje van mijn oudtante, dat leeg en een banneling als mij vrij ter beschikking stond.
Een week later meldde ik mij bij de Friese vogelwacht aan. Nu tel ik sinds vijf weken Kleine Zwanen. Hun uilachtige geluid, het zachte getrompetter als zij elkaar begroeten, is mij vertrouwder dan de taal van mensen.
In de keuken van een kleine Friese stadswoning sta ik in een pannetje met gehaktballen te roeren, omdat ik nooit geleerd heb fatsoenlijk voor mijzelf te koken. Het brood is vier dagen oud. Ik ben vandaag alweer te laat thuis gekomen om nog bij bakker Kooistra langs te gaan. Toen ik een uur geleden mijn fiets in het schuurtje zette, zaten in de kastanje twee kraaien, als beidden ze mijn komst. Ze bogen hun kop tegen de aantrekkende wind en krasten, alsof ze de spot met me wilden drijven. Ik vraag mij af of ik volgende week, als ik de rietsnijder nog wat vaker gegroet heb, op zijn deur zal kloppen om nader kennis te maken. 'Goedenavond, meneer de rietsnijder. Ik vond u vroeger al zo interessant, want u werkte niet in een fabriek of op kantoor. Dat vond ik zo boeiend dat ik ook zelf maar voor een eenvoudig, praktisch beroep heb gekozen. Mijn oude studievrienden schrijven gewichtige rapporten over het 'ecologisch belang' in Vinex-locaties. Ze werken als adviseur of consultant en krijgen daar elke maand een ruime vergoeding voor. Ze wonen met een vlotte vrouw in een vrijstaand huis. Of in een comfortabel appartement in de binnenstad, waar ze elke week met een andere schone de lakens delen. Maar ik ben vogelwachter geworden in Bolsward. Ook mijn droom is uitgekomen.'
Het prettige van denkbeeldige gesprekken is dat je ze op elk gewenst moment kunt beëindigen. Het echte gesprek zal ik nooit aandurven.
Ik ga achter de keukentafel zitten en laat mijn blik over de stapels pannen en borden in de keuken glijden. Daar kan geen studentenhuis tegenop. Op de keukentafel staan nog drie ongeopende groenteblikken, maar in het hele huis is geen opener te vinden. Ik pak een van de blikken op en slinger het tegen de muur. Er is slechts een kleine oneffenheid in het behang te zien, op de plaats waar het blik de muur raakte. Het blik zelf is heel gebleven, en dicht. Zo schiet het niet op, denk ik en ik ga achter het raam zitten om naar buiten te kijken.
Een uur later gaat de telefoon over. Ik loop naar het dressoir in de woonkamer en neem de hoorn op. Aan de andere kant van de lijn blijft het stil. Na een halve minuut hoor ik een droge klik. De verbinding is verbroken. Waarom moet mij dit overkomen? Het is niet goed dat ik de hele tijd binnen zit. Heb ik dan niets om mee te ontspannen? Ik zou een paar slokken cognac kunnen nemen. Uit Leiden heb ik een miniatuurflesje meegenomen, om buiten op een koude dag warm te blijven. Een paar slokken, dat kan geen kwaad. Als ik maar rekening houd met mijn medicijnen.
In de verte hangen grauwe donderkoppen boven de schapen op de dijk. Boven staat het zolderraam open. Met een harde klap slaat de tussendeur dicht. Het moet harder zijn gaan waaien.
Laat ik er thee bij nemen, bedenk ik. Als ik in de keuken water opzet, en het flesje uit de kast wil pakken, hoor ik een harde tik tegen het raam, alsof een stuk metaal met kracht tegen het venster wordt geworpen. Van schrik laat ik het flesje vallen. Tussen het gebroken glas sijpelt de drank over de stenen vloer. Als ik het gordijn opzij schuif, kijk ik in twee zwart glinsterende ogen. Een spookachtig gezicht wordt door het schijnsel van de buitenlamp wit verlicht. De schrik slaat mij om het hart. Wat is dit? De zwarte ogen blijven mij doordringend aankijken. Dan slaat de uil zijn vleugels op. Geruisloos verdwijnt hij tussen de struiken.
De vogel moet door de storm tegen het raam geslagen zijn. Ik loop terug naar de kamer en doe mijn best de wind die door het zolderraam giert, niet te horen. Waarom zijn mijn dagen hier zo wezenloos en leeg?
*
Zwarte elastiekbanden houden de donkere latten die het dak stutten, bijeen. Binnen ruikt het naar nat hout. Je moet de metalen pinnetjes van de luiken losschroeven om naar buiten te kunnen kijken. Onder de luiken staat een smalle bank die aan de vloer is vastgemaakt en ongemakkelijk zit.
Al enkele dagen houdt mij op mijn telpost een wezel gezelschap. Uit de rietbeschoeiing steekt hij zijn smalle kop op om brutaal de door klimop overwoekerde hut in te kijken. Als dank voor de achtergelaten broodkorsten gaat hij soms als een alpenmarmot rechtop staan en laat met hangende pootjes zijn witte buik zien.
Het is acht uur en bijna licht. Midden op de watervlakte van de Kooiwaard dobberen de Kleine Zwanen. Ik tel er negenendertig. Vier asgrauwe juvenielen zwemmen tussen de blinkend witte vogels. In de avond klinkt hun melodieuze, droevige roep over het water. Ik heb het Gaasterland 's winters wel eens kouder meegemaakt. Een aantal jaar geleden, 's morgens vroeg bij een gure oostenwind, om het ontwaken van de ganzen te beleven. Hun eerste tocht naar de kwelders te zien. Tegen een roodoranje hemel vlogen ze van mij af. Een beeld dat mij op het netvlies gebrand staat.
Vandaag blijft de zon achter de mist verborgen. Ondanks het sombere weer is het zicht redelijk. Door de telescoop kan ik goed zien dat het geel aan de snavel van de juveniele zwanen minder uitgebreid is dan bij de adulten. Het geel wordt door een roze zweem bijgekleurd. Bont getekende woerden maken zich door hun gefluit herkenbaar: smienten. Van de vier wintertalingen die voor de observatiepost badderen, springt de groene vleugelspiegel in het oog. Een troep van vijftien krakeenden zwemt dicht bij de rietkraag, maar de eenden zijn zo grauw getekend dat zij tegen de kleurloze achtergrond verdwijnen. Ik mis de kiekendief die hier de afgelopen dagen boven de rietkraag jaagde. De kef van meerkoeten klinkt door de mist.
Als ik vijf uur de wacht heb gehouden, sta ik op en wandel met stijve spieren over het modderpad terug naar de dijk. De bruine handdoek die ik als zitlap gebruik, hang ik aan een tak als op een waslijn te drogen. Als ik de deur van de hut dichtklap, klinkt vanuit het riet een hoog, sissend geluid. De wezel. Ik ben hem vergeten hem te voeren.
De hele middag al heb ik het vermoeden dat ik niet alleen ben. Als ik bij de laatste brug voor de dijk kom, zie ik niet ver van me de rietsnijder met zijn zoon tussen de lisdodden staan. Ik hoor hun laarzen door het rietland plassen. Ze zuigen zich vast aan de grond en laten met een vochtig flapgeluid los. Lachend nemen de mannen mij op. De jongen is lang en breedgeschouderd. Met vaste hand stuurt hij de riethaak. Geroutineerd, maar niet verveeld beweegt hij het sikkelvormige mes. Als ik even door een troep overvliegende rietganzen wordt afgeleid, ben ik hem kwijt.
Ik volg de ganzen door mijn kijker, tot ik van achter een hand op mijn schouder voel. Ik draai mij om en kijk in een gebruind gezicht. Als was de zomer een dag geleden. Zijn blauwe ogen nemen mij koel, maar vriendelijk op. Hij lacht. Van zijn halflange haar valt een lok blond en steil over zijn voorhoofd. Hij zal niet ouder dan een jaar of twintig zijn. Kalm laat de jongen de hand van mijn schouder glijden. Hij opent zijn rechterhand. Een rietsigaar. Nu gaat zijn glimlach over in een echte lach, met blinkend witte tanden.
Kom je hier vaker, vraagt hij.
Ik knik.
Dan roept zijn vader hem, als een mokkend schaap dat blèrt. Hij draait zich om. Ik kijk hem na, hoe hij met zompige stappen door het rietland plast. Hij draagt geen overall, maar een lichte spijkerbroek die hij in zijn laarzen heeft gevouwen, en een lichtgroen vest.
Aan de voet van de grasdijk berg ik mijn spullen in mijn fietstassen, terwijl de opwinding van zojuist uit mij wegsijpelt. Ik wis mijn zadel droog en stap op. Nu snel naar huis, voordat het harder gaat regenen.
Boven de tikkende regendruppels op mijn jas hoor ik het slepende getik van de fietsketting. Twee fietskettingen.
Hij kijkt afwisselend naar zijn voorband en naar mij. Weer die lach. We blijven even naast elkaar fietsen, tot hij over zijn schouder knikt en mij inhaalt. Dan voel ik een ander paar ogen in mijn rug. Een verweerde kop knikt mij vanonder een grijze pet minzaam toe. Papa rietsnijder.
'Vort jong', zegt hij, 'd'r komme buien.'
Ik zwoeg op de pedalen, maar met zijn stramme bewegingen komt hij sneller vooruit dan ik. Mijn hart tekent een bonkend protest aan. Ik trap op mijn pedalen en leun over mijn stuur voorover, zwetend en dampend, mijn blik strak gericht op het steeds kleiner wordende tweetal voor mij.
Bij thuiskomst ruikt het huisje bedompt en schimmelig.
De es in de tuin heeft zijn laatste bladeren verloren. Altijd november. Altijd dit lege hart, altijd. Het warmhoudplaatje van het koffiezetapparaat staat nog aan. Ik drink de bittere koffie uit en neem er mijn medicijnen bij in. Twee tabletten clomipramine. Ze stompen mijn gevoelsleven af, maar zorgen er wel voor dat ik minder angstig ben. Geen stralende vergezichten, maar ook geen dorre woestijnen. Een veilige keuze voor de middelmaat.
De rietsnijder en zijn zoon heb ik na ons vluchtig afscheid op de fiets niet meer gezien. Vanavond wilde ik in de tuin nog wat oude bladeren op een hoop vegen en het voederhuisje bijverven. Maar de schemering was al ingevallen toen ik thuis kwam.
Ik ben moe en schuif de gordijnen dicht. Als ik naar de badkamer ga om mijn tanden te poetsen, klinkt de bel van de voordeur. Achter het deurruitje zie ik een gebogen kleine gestalte, met in de rechterhand een langwerpig voorwerp.
*
'Ik dacht, we moesten maar eens kennismaken.'
Het is de rietsnijder, met een fles jenever in zijn hand. Hij houdt hem omhoog als een visitekaartje dat hem als vanzelfsprekend de toegang tot de woonkamer verschaft.
Het leidt geen twijfel dat ik hem binnen moet laten. Hij draagt een zwarte, wollen jas en dezelfde grijze pet als vanmiddag, waaronder zijn varkenshaar in vettige plukken tevoorschijn komt. Nadat hij jas en pet op de bank heeft gegooid, neemt hij op de grootste stoel in de woonkamer plaats.
'Rinkema. Vijfenzestig. Woon hier al vijfenveertig jaar, bijkans. Met Hyke. Hyke, dat is m'n vrouw.'
Ik knik begrijpend. Rinkema. De naam klinkt als het geluid van een baardmannetje. Nu is het mijn beurt, besef ik.
'Mijn naam is Menno. Ik ben zesentwintig jaar oud. Ik werk als onderzoeker voor de Universiteit Leiden. Ik ben in Friesland om vogels te kijken. Te bestuderen. Dit', ik maak een omtrekkende beweging, 'is in bezit van mijn familie.' Ik heb het gevoel dat Rinkema dwars door mij heenkijkt. Ik probeer me voor te stellen welke indruk ik op hem maak. Een magere, slungelige jongen. Een ondanks het buitenwerk bleek gezicht waarin troebele, zwarte ogen voortdurend op zoek zijn. Zijn versleten vest ruikt naar goedkoop waspoeder. Hij draagt afgetrapte schoenen die hij beter op de buitenmat had kunnen laten staan.
Er staan al twee glaasjes op tafel. Rinkema moet ze uit zijn jaszak hebben gehaald.
Je drinkt toch wel?'
'Ja'. Mijn stem aarzelt.
'Je bent toch een vent'.
'Ja'.
'Nou dan'.
Ik nip van het tot de rand gevulde glas. Laat ik het eens anders aanpakken. Het gesprek aangaan. Van mijn hart geen moordkuil maken.
'Weet je al hoe lang je nog hier blijft?'
Ik antwoord dat ik voorlopig nog niet weet waar ik de jaarwisseling door zal brengen.
'Maar voorlopig blijf ik hier. Ik heb het wel even gehad met de universiteit. Er is geen of weinig overeenkomst tussen mijn onderzoek en dat van vakgenoten. Hun belangstelling gaat naar andere onderwerpen uit. En die onderzoeksscholen, waar ik aan deel moet nemen, die zijn me in de loop van de tijd behoorlijk tegen gaan staan.'
Rinkema knikt. Het interieur van de woning heeft hij intussen aan een uitgebreide inspectie onderworpen.
'U moet weten: wetenschappers zijn doorgaans bedaarde mensen, maar waar ze beginnen zichzelf te verenigen, treden onvermijdelijk spanningen op. Uit vlijtige onderzoekers worden carrièretijgers die anderen aan stukken rijten. De rat race om beurzen en stipendia maakt uit zelfs de meest beminnelijke hoogleraar een slaaf van zijn laagste driften. Het recht van de meest doortrapte zegeviert.'
De gehele universitaire wereld moet op deze man, die hoogstwaarschijnlijk niet eens de lagere school heeft afgemaakt, wel heel vreemd overkomen.
'Waarover gaat je onderzoek eigenlijk?', vraagt Rinkema na een lange stilte.
'Ik verricht onderzoek op het vakgebied van de ethologie. De ethologie bestudeert het gedrag van dieren.. Een bekend etholoog is Frans de Waal. Hij deed onderzoek naar het gedrag van chimpansees. De Waal ontdekte dat alle mannetjes naar de alfapositie streven. Het draait op vechten uit, op verraad en geweld. Er wordt samengespannen om de macht te veroveren. En er worden coalities gesloten. Uiteindelijk wordt de oude leider afgezet en bruut vermoord. Dat soort dingen bestudeer ik ook, alleen bij vogelsoorten', lieg ik.
'Boeiend, wat u zegt. Ook dat apenonderzoek'.
'Ja, het werk van De Waal staat op de lijst van te lezen werken voor leden van de Amerikaanse senaat.' Goed, bedenk ik, dat je dat saillante detail nog even voor je hebt gehouden.
Ik klok het goudgele vocht naar binnen. Met zijn knoestige handen schenkt Rinkema vlug bij.
'En dat van u? Lezen Amerikanen dat ook?'
'Nee. Ik schrijf mijn proefschrift in het Nederlands, met alleen een beknopte samenvatting in het Engels. Het zou me verbazen als meer dan drie mensen mijn boek lezen. Ik ambieer geen universitaire loopbaan. Bovendien verwacht ik dat het Nederlands in mijn vakgebied spoedig geheel verdwijnt. Maar wie kan het wat schelen? Op gevoel voor traditie heb ik nog geen landgenoot kunnen betrappen. De eerste Nederlander die respectvol over zijn eigen taal en vaderland spreekt, moet nog geboren worden.'
Rinkema rook aan zijn glas.
'U moet veel van de natuur houden.'
'Ja. Met sommige dieren kun je een bijzondere band voelen. Ik herinner mij een avond bij het Lauwersmeer. Ik was scholier, een jaar of vijftien. Een Duitse herder vergezelde mij kilometers lang. Toen ik langs de dijk ging zitten, ging de hond naast mij liggen. Samen keken we uit over de Waddenzee. Het was alsof de tijd stil stond, alsof er een scharnier rond de as van de eeuwigheid bewoog. Die avond ervoer ik in de schemering een geborgenheid die beantwoordde aan een diep doorleefd verlangen. Elk gevoel van drang was mij vreemd. Alsof ik een rust had gevonden waar ik al zo lang naar op zoek was.'
'Bent u hier niet heel eenzaam?'
'U bent hier nu toch.'
'Ja, da's waar. Daam zei, je moet 's langsgaan bij die jongen. Die zit daar maar 's avonds in z'n eentje.'
'Daam?', vraag ik.
'Mijn zoon'.
'Dat is heel aardig van hem. Weet u. Eigenlijk zit ik hier om rust te houden. Af en toe was ik een beetje in de war. Dan kwamen er bepaalde, dwingende gedachten in mij op. Overal zag ik de gestalte van de arbeider. De arbeider, begrepen niet als verlengde van een fabrieksband, maar als een gedaante die geheel door het productieproces bepaald wordt. Een proces, waarin hij slechts een schakel vormt. Begrijpt u dat?'
Rinkema kneep met zijn ogen. 'Ik denk te snappen wat je bedoelt.'
'U moet niet denken dat het er aan een universiteit rustig toegaat', vervolgde ik. 'Integendeel, als ergens de drang naar effectiviteit en perfectie allesoverheersend is, dan in de laboratoria en onderzoeksruimten van een moderne universiteit. Misschien dat binnen de letterenfaculteit een enkeling nog ongestoord zijn gang mag gaan; zich kan buigen over een periode of stroming waarnaar zijn persoonlijke belangstelling uitgaat. Maar binnen de natuurwetenschappen is de totale gelijkschakeling een feit. Voor een persoonlijk geluid is geen plaats meer. Onderzoek valt onder grootschalige, technische projecten. Proeven en experimenten worden volgens vaste procedures verricht. Resultaten in van tevoren bepaalde, onpersoonlijke formules geboekstaafd!'
'Dat jij je zo druk kan maken. Dat had ik niet achter zo'n rustige jongen gezocht.' Dan komt hij naar voren, met zijn gezicht dichter bij dat van mij. 'Weet je wat goed doet? Een goed glas. Asjeblieft!'
'Ik denk wel eens dat ik gek ben, gek in mijn hoofd. Dan blijven mijn gedachten om een vast punt draaien. Alsof er niets anders meer bestaat. Ik voel de dreiging niet meer van die gedachte af te kunnen raken, heel mijn handelen wordt er door bepaald. Het is alsof ik mijzelf schaduw. Doodzenuwachtig word ik ervan. Vaak zijn het gevoelens van angst. Ze komen onverwacht. Een dwanggedachte grijpt mij aan als ik in mijn lunchpauze een korte wandeling door de binnenstad maak. Ik sta als aan de grond genageld en probeer mijn gedachten te ordenen. Ik wil terug naar mijn werkkamer, de deur achter mij dichtdoen en rustig verder werken. Maar ik kan het niet.'
'Weet je nou wat ik er van denk? Dat soort mensen als jij, dat denkt gewoon te veel na.' Hij schudde de fles in zijn hand. 'Het laatste beetje. Zal ik je nog een laatste keer bijschenken?'
'Af en toe verlaat ik de tafel waaraan ik in mijn pauze met collega's lunch. Omdat ik een plotseling gevoel van onrust in mij op voel komen. 'Ik voel me niet zo lekker. Ik denk dat ik maar op huis aanga', fluister ik dan tegen mijn buurman - liever nog buurvrouw - en verwijder mij ijlings, een aanzwellend geroezemoes achterlatend. Ik heb weer eens verstek laten gaan en mij de vrolijkheid van anderen onwaardig getoond. Ik ben vertrouwd met de martelgang van het nooit in gezelligheid op kunnen gaan. Toch weet ik mij te redden, althans, staande te houden in een wereld die ik als steeds bedreigender waarneem.'
'Dat heb ik nou ook!', roept Rinkema uit. 'Dat je tegen een vrouw veel eerlijker kunt zijn. Maar ja, niet over alles natuurlijk.' Hij hinnikt als een hees oud paard.
Ik haal diep adem, en voel de warmte van de drank door mijn neusvleugels. 'Vooral een ijzeren plichtsbetrachting en toewijding aan mijn vakgebied houden mij op de been. Maar geluk lijkt niet voor mij weggelegd. Ik vraag mij af of anderen wel van het leven genieten. Al die mensen die zich ogenschijnlijk zo goed amuseren. Die voetbalstadions, wat zich daar verzamelt, weten die mensen niet beter? Zouden zij hun eigen ongeluk niet voelen, verdoofd als ze zijn door de massa? Ik ... ik voel mij een eenzame passagier op een schip dat al lange tijd water maakt.'
*
De volgende ochtend wordt Menno op de bank wakker. De gordijnen van de woonkamer zijn open. Hij is merkbaar afgekoeld, ook al heeft hij zijn kleding 's nachts aangehouden. Schuchter beweegt zijn slungelige gestalte door de woning. Zijn hoofd voelt zwaar. Hij komt op de gedachte dat buitenlucht hem goed zal doen.
Als door de wind gedragen, loopt hij de dijk af in de richting van Stavoren. Het gras onder zijn voeten is stug. Het heeft de afgelopen nacht even gevroren. Slechts een stuk papier heeft hij in zijn broekzak en een pen om notities te maken. Maar eigenlijk heeft hij alle soorten geteld en kan op weinig verrassingen meer rekenen. Hij kent de Zuid- en Kooiwaard nu wel, weet welke soorten waar en wanneer te verwachten zijn. Maar er kunnen altijd dwaalgasten zijn. Ook buiten de Kooiwaard. 'Buiten de waard' fluistert Menno. 'Buiten de waard rekenen ...' Hij lacht. Hij lacht luider en luider. 'De waard, de waard ...' De woorden maakten zich los uit de taal en dansten voor zijn hoofd.
'Waar is de man van gisteravond, de onbekende die onverwachts voor mijn raam stond?', vraagt hij zich af. 'Onderwater, onderwater', klinkt het plotseling door een eigen, vreemde stem.
'Onderwater heeft alles gezien, weet dat ik hier lanterfant, als een zwerver over de dijk loop, zonder mijn gedachten te ordenen of mijn waarnemingen uit te werken. Zou hij het erg vinden?' 'Statistiek jongen', hoort hij de gedragen stem van zijn promotor. 'Je moet als onderzoeker statistisch onderlegd zijn'. Een lange reeks van oneindige tabellen doemt voor zijn geestesoog op.
Menno kijkt uit over het vlakke land. De koeien zijn op stal, de ganzen vliegen af en aan. In een enkele boerderij brandt al licht. De aanwezigheid van leven in een omgeving die, op zijn zachtst gezegd, weinig tot leven uitnodigt, verwondert hem. Wat was natuur in dit door de mens aangelegd landschap? 'We koesteren de natuur niet langer als een heftige gloed die komt en voorbij gaat', fluisterde hij, 'maar in het licht van de herinnering'.
Op dat moment, uitkijkend over het zoet geworden water, was het alsof de haven van Stavoren naar voren stootte, tot ver voorbij Enkhuizen, alsof de linies van de waarden zich aaneensloten, elkaar met de punten rakend. 'Alsof het bij de klif van Oudemirdum, waar de Zuiderzee een Friese hoogte heeft weggeschuurd ...', vervolgde Menno. Maar de wind blies zijn woorden weg. Aan de voet van de dijk voelde hij het water. Het was niet kouder dan de Noordzee bij een eerste duik in de zomer. Hij liet zijn schoenen, zijn enkels, zijn knieën nat worden. Haast onmerkbaar naderde een somber wolkenfloers vanuit het westen en wierp zijn schaduw over de uitlopers van de waard. De zon neeg naar de kim. Het was alsof ze elk moment kon uitdoven.
De dag eindigde in een verstilde schittering. Zelfs de mist boven het riet was als een stralend weefsel, dat het water in nog diepere geheimen hulde.'
♦ Jerker Spits (1977) is germanist. Na zijn studie in
Leiden en Wenen publiceert hij regelmatig over vooral Duitse
literatuur en geschiedenis, onder meer in 'Trouw'.