[ home ]
[ volume 2, issue 1, spring 2007 ]
blue-turns-grey
christiaan weijts
Vervuilingseenheid
In de tl-verlichte labyrintgangetjes van het theatergebouw
volg ik de verflijnen op de grond naar de juiste ruimtes
backstage, dat rare anglisme dat altijd een geheimzinnige
wereld van glamour en zweet wil suggereren. In de kleedkamer
trek ik een blikje bier uit de koelkast, dat ik terug de zaal
in neem.
'...vrijdag pijpdag, zaterdag soixante-neufdag en
zondag...?' De presentator van het festival is nog altijd
le marriage parfait van de dichter Kazan aan het oefenen
met het publiek. '... Vrijdag!'
Nog even en ook ik mag op, met wat mij gevraagd is:
een Zelfgeschreven Erotisch Verhaal bij prenten van
Peter van Straaten. Als dat de tol moet zijn die je betaalt
voor de toegang tot dat magische backstage, dan
schrijf ik desnoods keiharde porno bij de prenten
van Peter van Straaten, zo zijn we dan ook wel weer.
Ik stap alvast de duisternis achter de coulissen in,
waar ik de voorgaande dichter nog zangerig hoor declameren:
'Ik ben bang, lief, hemelsbang...'. Donkerslag. Stilte.
Aanzwellend applaus en een enkele ingehouden snik in de zaal.
Ik lees mijn stukje voor - of in een bij de omgeving
bijkleurend jargon: ik doe mijn ding - en geniet van de
donkerslag, de stilte, het aanzwellend applaus en de
ingehouden snik, waarna ik achter de coulissen de
volgende spreekster tref. Hoe 'de zaal voelt', wil ze weten.
'Tweeëntwintig graden,' hoor ik mijzelf diagnosticeren.
'Oh, dan gooi ik gewoon die tieten eruit
en maak ik ze héélemaal gek!' reageerde ze,
zonder dat dreigement overigens uit te voeren, wat ergens
wel jammer was.
Op de terugweg naar de backstagebar ben ik verdwaald.
Achter de deuren die ik open verschuilen zich afwisselend
bezemkasten, vergaderruimtes en douchecellen, totdat ik
ineens aan de zijkant sta van het podium van een band.
Twee gothicmeisjes zingen, drie jongens schreeuwen, ballonnen
vliegen in het rond, gitaren snerpen. En er gaat iemand met
een tuba rond.
Ik blijf er drie sigaretten staan luisteren, en zet dan
mijn zoektocht naar die magische backstagebar voort.
De jongen van dat 'hemelsbang' biedt me een biertje aan.
Ook staat er een mand met in papier verpakte broodjes,
'Smos', geheten. Of ik er eentje met een 'lappie kaas' op wil.
In de zaal aan de overkant zie ik hoe schoonmakers het podium
schrobben, na een act die ik eerder vanavond zag: een halfnaakte
vrouw kreeg een emmer melk over zich heen gegoten door een andere
halfnaakte vrouw die haar eerst nog met appels had bekogeld.
Twee dingen weet ik ineens heel zeker: dat je je met moderne kunst
geen seconde hoeft te vervelen, en dat het aforisme dat ik laatst
op mijn verontreinigingsheffingsnota aantrof - 'één
persoon (= 1,0 vervuilingseenheden)' - lang niet zo onnozel was als
het leek.
Hotel Breero
[BEELD: leeg]
Sinds ik tegenover hotel Breero woon, kijk ik geen porno meer.
Eerst dacht ik nog dat er weinig te zien was aan de overkant.
Ik behielp mij met glimpen van natgedouchte meisjes verpakt in
badhanddoeken en met de schaduwen op de gesloten gordijnen. Maar
vergis je niet! Wat daarachter gebeurde kon ik mij moeiteloos
voorstellen. In hotel Breero kon het verkeren en dat deed het
dan ook.
[BEELD 1: gluren naar de overkant vanaf het balkon]
Hier kwamen congresgangers koffiemeisjes verleiden met minibarchampagne
en goedkope pay-tievie-porno. Hier kwamen jongens en meiden elkaar
sufneuken na avondjes stappen. Mannen kwamen er vreemdgaan met teven
tegen betaling. Jaarclubs studentes gaven er showtjes in clubstrings
en jarretels, waarna ze zich hitsig op z'n hondjes lieten klaarnaaien
door de kerels uit de kroeg om de hoek. Hier kwamen patjepeejers
die pubermeisjes oppikten en paalden met hun polsen vastgepind
aan de spijlen. In hotel Breero kon het verkeren en dat deed het
dan ook.
Alles veranderde toen Hella in het hotel kwam werken. Ik ontmoette
haar op de dag dat mijn koffiezetapparaat stuk was, en ik uitweek
naar de lobby aan de overkant. Achter de bar stond ze sinaasappels
uit te persen en bloedstollend mooi te zijn. Ik vroeg om een dubbele
espresso.
'Volgens mij sta jij hier niet
ingeschreven,' zei ze, en wierp een leeggeperste schil in de
vuilnisemmer.
'Ik woon aan de overkant,' verklaarde
ik.
'Fijn voor je.'
Ze keek met die blik van meisjes
die de hele wereld minachtten
en, overtuigd van hun eigen superieure begeerlijkheid, meenden
zich alles te kunnen permitteren. Wat overigens ook zo was.
Zelfvoldaan wachtten haar ogen hun gewisse triomf af.
Ik liep al weg om mijn geluk te
beproeven in het koffiehuis om de hoek toen het gebrom van de
sinaasappelpers achter mij stopte en Hella zei: 'Ik zie je altijd rukken.'
Verstijfd stond ik stil. Had ik
haar goed verstaan?
'Elke avond, sinds ik hier werk,
zie ik je aan de overkant aan je pik trekken.'
Ik had haar goed verstaan.
Haar opmerking deed me eigenlijk niets, behalve dan dat
ik vuurrood werd, het tapijt onder mijn voeten weg voelde glijden
en de hotellobby wazig begon te draaien. Voetje voor voetje wist
ik buiten te komen.
Sindsdien was ik op mijn hoede
en verrichtte ik mijn eenzame sessies met het licht uit.
De derde donkere avond was er een van het soort dat ik voor
mijzelf altijd een 'geluksavond' noem: een meisje liep naakt
de doucheruimte uit terwijl de gordijnen open stonden. Uitgebreid
begon ze zich af te drogen. Toen ze de handdoek achter zich
strak trok en tussen haar schouderbladen liet wrijven zag ik
haar volle borsten schudden. Haar onderlichaam was eerst
nog verborgen onder het raamkozijn maar toen ze het raam
naderde - om, naar ik vreesde, de gordijnen te sluiten - zag
ik haar ten voeten uit. Ze had het haar op haar venusheuvel
tot een smal streepje had getrimd.
Wat ik vreesde, deed ze niet.
De gordijnen blijven open. Ik volgde de lijnen van haar
lichaam omhoog en pas toen ik bij haar gezicht uitkwam,
zag ik wie ze was. Hella.
Mijn eerste reflex was weg te duiken.
Maar waarom? Ze heeft me onmogelijk kunnen zien. Aan de andere kant:
ze wist van mijn kijkgewoontes, en dat mijn licht tegenwoordig uit
was, moest haar duidelijk maken hoe de zaken ervoor stonden. Aan
de nog weer andere kant: als ze wist dat ik tóch wel keek, waarom
stond ze hier dan naakt voor het raam?
Al deze vragen spookten door
mijn hoofd terwijl ik fantaseerde over hoe ik haar kon benaderen.
[BEELD 2: vrouw naakt op balkon, jongen rukkend in de boom]
Ik zou naar haar raam klimmen en mijn ogen het licht laten drinken
van haar gladde huid, ik zou het licht van haar lijf kijken als
zij zich klaarvingert in mijn blik ik zou het voetlicht wezen van
de planken waarop zij kronkelt en waarop zij komt.
Ik kon als Romeo tot haar komen.
[BEELD 3: jongen met stijve kust meisje op balkon, wasgoed rondom]
En zeggen:
With love's light wings did I overperch these walls,
For stony limits cannot hold love out,
And what love can do, that dares love attempt:
Therefore thy kinsmen are no stop to me.
Ik zou de liefde met haar bedrijven als een koorddanser
[BEELD 4: koorddanser neukt vrouw boven straat]
En we wisten dat onze lusten de wetten van zwaartekracht tartten.
[BEELD 5: strand, zwevende man gepijpt, mannen met hoeden kijken toe]
Maar het is anders geworden.
[BEELD 1: man naast gordijnen gluurt naar overkant]
Mijn koffiezetapparaat bleef stuk en ik ging ten slotte toch maar
weer naar de hotellobby. Dat zij naakt voor het raam had gestaan,
was dat niet een regelrechte uitnodiging geweest? Haar niet
benaderen, dat zou een misdrijf zijn!
Dit keer pakte ik direct
de kruk tegenover haar aan de bar, waar zij kopjes aan het
afdrongen was. De borsten die ik gisteravond naakt hadden
gezien zaten nu in de zwarte stof van haar werkkleding opgeborgen.
'Een dubbele espresso graag.'
Haar reactie verbaasde me:
zonder iets te zeggen draaide ze zich om, schroefde de
koffiehouder los en klopte deze uit. Mijn kopje kwam onde
het apparaat terecht en dampte binnen tien seconden voor mijn neus.
'Ik woon aan de overkant,'
zei ik. Ze antwoordde niet. Ik dronk mijn koffie op.
'Dat is dan tweeenvijftig vijftig.'
Ik spelde dit bedrag even
in cijfers uit en mijn hoofd en zei: 'Je krijgt het niet
cadeau.'
Ze sloeg de theedoek met
een zweepslag over haar schouder en besloot: 'Twee vijftig
voor die koffie, en vijftig voor dat showtje dat ik gisteren gaf.
Je dacht toch niet dat ik zoiets voor niks doe?'
♦ Christiaan Weijts (Leiden 1976) werkt als redacteur
voor het Leidse universiteitsblad 'Mare'. In 2003 publiceerde
uitgeverij 'Desolation Row' zijn columns in de bundel 'Sluitingstijd'.
Bij 'De Arbeiderspers' verscheen in mei 2006 zijn debuutroman 'Artikel 285b'.
Voor deze roman werd hij genomineerd voor de 'AKO Literatuurprijs' en
in 2006 onderscheiden met de
'
Anton Wachterprijs'
♦ website:
www.christiaanweijts.nl