[ home ]
[ volume 2, issue 2, winter 2007 ]
blue-turns-grey
thomas blondeau
Een studie in hysterie
Dank u. Ik wil de gelegenheid aangrijpen het er nog één keer over te hebben. Daarna moet het afgelopen zijn. Dit is de laatste keer en dat hoop ik zowel voor u als voor mij.
Door de klap was de hond op de pechstrook geslingerd. Victor en ik stapten uit, zagen hoe hij steeds zijn kop probeerde op te tillen en overeind te krabbelen. Maar bij iedere poging zakte hij weer in elkaar. Zijn staart kwispelde alsof die niet aan een geknakt lijf vastzat. Zelfs in deze staat was het een magnifiek beest. Zijn zwartgespikkelde huid glansde in het licht van de voorbijschietende auto's.
Victor vloekte.
'En nu?', vroeg ik.
'Wat denk je? Het is al erg genoeg dat mijn koplamp eruit ligt. Bovendien trekt die het niet lang meer.'
De hond jankte zachtjes.
'We moeten ermee naar de dierenarts', zei ik.
'Naar de dierenarts. Heb je dat beest als een goed bekeken? Dat is een rashond. Die staan geregistreerd en dan mogen wij daarvoor gaan betalen. En waarschijnlijk kakt en bloedt hij de zetels onder. Als we al niet gebeten worden.'
Je hebt mensen die in oplossingen denken en mensen die in alles problemen zien. Victor behoorde tot de laatste groep. Ik niet maar omdat het autoritje dat me verlichting moest brengen net het tegenovergestelde effect had, zag ik mij niet in staat voldoende verweer te bieden. Maar ik wou het hier niet bij laten.
'We kunnen hem toch hier niet laten liggen? Het beest is aan het afzien. Wie weet hoe lang het nog duurt voor hij dood is?'
'Wat wil je eraan doen?'
In de gereedschapkist van de auto vonden we een zware moersleutel. Mijn anatomiekennis is gering te noemen maar ik achtte een klap tussen de ogen voldoende. Victor voelde er weinig voor het noodzakelijke te doen. Ik heb nooit gevlucht voor mijn plicht.
Ik klemde de muil in mijn hand. De hond zocht mijn ogen. Het geluid van een walnoot die je tussen je palmen kraakt. Toen ik mijn hand wegtrok, likte de hond mijn vingers. Een van zijn ogen draaide weg. Ik sloeg nog eens. Op zijn voorhoofd leek bloed door zijn vacht op te wellen. Zijn janken was piepen geworden.
'Hij leeft nog.'
'Bedankt Victor, zo ver was ik ook al. Als je het zelf wil doen, hou ik je niet tegen.'
Bij de derde slag miste ik de barst in zijn schedel en raakte ik de bovenste welving van zijn oogkas. Zijn oog gleed als een stroperige, bruine druppel in mijn hand. Verbaast het u dat ik terug in de auto ging zitten, mijn handen tegen mijn oren gedrukt?
Victor kwam naast me zitten en stelde voor weg te rijden. Had hij dat maar gedaan. Maar toen de motor startte, begon de hond opeens met hervonden kracht te janken. Het leek bijna krijsen. Victor vloekte en zette de auto in zijn achteruit. Het klonk als het knappen van dor hout. Was Victor maar niet beginnen te schaterlachen. Dan had ik het misschien allemaal kunnen vergeten. Dan was ik er nu niet weer over begonnen. Dan had ik op de snelweg, omdat hij maar bleef lachen, niet aan het stuur getrokken. Maar bedankt dat u me aanhoorde. Het was de laatste keer. Echt waar.
♦ Thomas Blondeau (Poperinge 1978) is
een Vlaamse schrijver, dichter en journalist die in
Nederland woont. Hij studeerde aan de Katholieke
Universiteit Leuven en aan de Universiteit Leiden
(literatuurwetenschappen). Hij schreef voor onder andere
'Mare', 'Deng', 'De Revisor' en 'Dif'. Na vele succesvolle
poëzievoordrachten en gepubliceerde korte verhalen,
verscheen in 2006 zijn debuutroman 'eX', die met name in
België goed ontvangen werd.
♦ website:
www.thomasblondeau.com