[ home ]
[ volume 3, issue 2, summer 2008 ]
blue-turns-grey
joris lenstra
Versieren is Achterlijk
Van oudsher is poëzie een manier geweest om vast te leggen. Recent hebben wetenschappers weer eens aangetoond dat teksten beter onthouden worden wanneer ze gezongen worden. En liedjes, zoals gezongen teksten ook wel genoemd worden, kenmerken zich door een regelmatig ritme en door een veelvuldig gebruik van eindrijm. Dezelfde karakteristieken vind je ook bij de poëzie terug. De Odyssee, om eens een lijk uit de kast te trekken, is het relaas van een volksvertelling dat een nationale identiteit schiep en door rondtrekkende barden in dorpen en steden werd verteld. De oudste teksten in de bijbel, om eens een andere oertekst aan te roeren, hebben opvallende overeenkomsten met de teksten over Odysseus. Ook hierin een parabel over de zin van het leven, over belangrijke figuren voor een nationale identiteit, en, tussen de verhaallijnen door, zinvolle tips over het leven zelf.
Beide teksten die aan de bron staan van onze huidige literatuur, drukken dus een nationale identiteit uit waar ze onderdeel van zijn. Kennis van deze teksten hield mensen bij elkaar en bood structuur aan het bestaan.
Hoewel deze teksten individueel beleefd werden, zijn ze dus universeel. Ze gaan niet over één specifiek persoon maar over een persoon die de personificatie geworden is van een levenservaring. Odysseus is de ontwortelde mens in een wereld die hij niet kent en die hij amper kan beheersen. Hij is faalbaar en faalt daardoor ook herhaaldelijk. Er is geen louter goed en kwaad in zijn wereld. En evenzo zijn ook de verhalen in het oude testament allesbehalve eenduidig, hoewel de eindconclusie daar wat pregnanter is.
Beide teksten zijn dus groter dan de personen waarover ze gaan. Literatuurwetenschappers zullen je vertellen dat het een van de kenmerken van goede literatuur is, dat de ervaringen in de tekst het persoonlijke overstijgen en op een universeel niveau gedeeld worden. Dit inzicht levert ook uitermate slechte achterflapteksten op; maar het idee is duidelijk.
Hoewel deze teksten inmiddels een paar duizend jaar oud zijn, behelst onze huidige cultuur nog steeds grosso modo een platoonse visie op de Bijbel met een vleugje Boeddha, opgediend met een aardse Germaanse saus. We hebben onszelf wel wat verder ontwikkeld. We vliegen wat beter. En we zijn gelukkig de homerische vergelijkingen kwijtgeraakt.
De bekende architect en essayist Adolf Loos predikte al in zijn "Ornament und Verbrechen" (1908) dat onze culturele ontwikkeling zich vooral toont in de mate waarin wij het uiterlijke versieren zijn kwijtgeraakt. Wij versoberen ons naarmate we ons verder ontwikkeld hebben zodat we ons meer en meer op de essenties kunnen gaan richten. En hij heeft gelijk. Een blik op de kunst leert ons eveneens dat het om essenties gaat, en niet om de verstrooiingen en versieringen die ons zo vaak door amateurs zijn aangereikt.
Mensen die niet weten waar kunst voor is, zullen je het tegendeel vertellen. Zij zullen beweren dat kunst er is om het bestaan te versieren. Kunst verluchtigt dat wat anders doodsaai zal zijn. Dat is de enige reden dat Baudelaire zijn haar groen verfde en een rode lucht wenste. Kunst is er om de jaarcijfers mee te verfraaien. En als je pech hebt, staan zulke mensen voor de klas onze kinderen te verpesten.
Kunst draait om essenties. Om oneetbare, waardevolle essenties die beleefd moeten worden. En die alleen dan herkend kunnen worden. Kunst zit onder de huid. Veel mensen begrijpen dit niet omdat ze nooit onder hun huid zijn geweest. Ze weten niet waar ze moeten kijken. Deze mensen kun je ook al van verre herkennen, bijvoorbeeld aan de manier waarop ze zich kleden. Hoe meer uiterlijk vertoon iemand heeft, hoe minder ontwikkeld die is. Mensen met overdadige oorbellen, tatoeages, mensen die uitbundig versierde horloges, tassen of jassen dragen, of mensen met opvallende auto's. Ze zijn allemaal directe afstammelingen van de regenwoudindianen die hun nekken met ringen omgorden en hun lichaam vol kladden met de verhalen van hun seizoenen. In dat stadium is hun ontwikkeling blijven steken.
Het is de realiteit dat niet iedereen in een samenleving dezelfde mate van ontwikkeling heeft bereikt. Kunst kent daarom een selectief publiek. Dat publiek vormt veelal de intellectuele toplaag van een samenleving. Toeval? Allesbehalve! Niet iedereen heeft zich dusdanig kunnen ontwikkelen dat ze die mate van versobering die kunst heet, kunnen waarderen.
Alles heeft ten slotte zijn essenties. Het is aan de kunstenaar om zich dusdanig in te spannen dat ze die essenties waar kunnen nemen. En om vervolgens die essenties te ontrekken aan de immateriële staat waarin ze voor hun wording verkeerden. En om ze daarna vast te leggen in een staat van zijn door middel van het gebruik van materialen. Iedere poging, ieder kunstwerk, en zelfs ieder gebruiksvoorwerp, vormt een volgende tree op de ladder van de evolutie van een volkscultuur. Met als doel het maken van het meest pure werkkunst, dat oogverblindend dicht bij zijn oorsprong ligt. Als een stoel waar alles gericht is op het laten zitten. Niets eraan is overbodig. Er zijn geen franjes meer. Geen toevoegingen louter voor het oog of vanwege de toevallige stemming van de maker. Als een gedicht waarin alle woorden dezelfde richting op wijzen. Niets is overbodig. Nergens laat de oorspronkelijke energie de lezer los.
Van die mate van perfectie kunnen wij nu alleen nog maar dromen.
Het is belangrijk om niet te vergeten dat het scheppen, op verschillende niveaus en met verschillende materialen, een religieuze daad is. Dit wordt vaak niet meer zo beleefd omdat we het zo gemakkelijk en zo vaak doen. Dankzij onze technologische mogelijkheden is één mens in staat is om het werk van vele mensenhanden te doen.
Toch moeten wij deze religieuze handeling koesteren en op waarde schatten; telkens weer wanneer wij iets maken. Of het nu gaat om een stoel, een schilderij, een conceptueel kunstwerk of een gedicht. Er is altijd de noodzaak, de essentie, en de uiteindelijke gedaante. Wij offeren onszelf als het ware op om die essentie te openbaren.
Evolutionair gezien is er niets dat het versieren voor zich inneemt. Versieringen zijn contraproductief. Het kost energie om ze te maken. En wanneer ze er zijn, leiden ze alleen maar af. Mensen die door de liflafjes heen naar de essenties van situaties en van andere mensen kunnen kijken, hebben ze niet nodig. En de mensen die ze wel waarderen, zagen van het begin af aan de essenties niet.
Dezelfde ontwikkeling kun je ook in de poëzie traceren. Er bestaat een sterke traditie essentiële dichters. Zij zijn immers de moeite van het doorvertellen waard. Deze dichters hebben het dichten beperkt tot de sobere, onopgesmukte essenties van het bestaan. Bij hen draagt ieder woord bij aan het weergeven van die essentie. Dit zijn dus niet de dichters die hun werken verfraaien met overdadige vergelijkingen en vergezochte beeldspraken; of die alles precies in dat ene sonnetje willen stoppen. Dit zijn ook niet de dichters die iedere regel willen beginnen met het woordje 'ik' - dat in de dichtkunst totaal overbodige woord dat menig dichttalent voorgoed geruïneerd heeft.
Jaarlijks worden er tal van bundeltjes uitgegeven over de persoonlijke ervaringen van Jantje, Pietje en Marietje, sommige met AIDS, anderen zonder; en geen van alle raken ze enige vorm van de essenties van het bestaan. Ze blijven allemaal steken tussen de Papoea-indiaan en de eerste veeverzamelaars en landbouwers. Ze verliezen zich allemaal in de overbodige versieringen van het eigen ego. Het laatste wat je wilt lezen is een persoonlijke ontboezeming, of hoe iemand de dag heeft doorgemaakt, of waarom iemand nou zoveel liefdesverdriet heeft. Wat je wilt lezen is de kern van de ontboezeming, de essentie van die dag en de trilling van het liefdesverdriet.
En dat kan alleen maar in eenduidige sobere regels zonder opsmuk, die direct duiken naar die essentie. Eigenlijk kennen we in Nederland nog maar één zo'n regel. En hoe men het ook geprobeerd heeft; al het andere is er slechts een variatie op. Allemaal zijn ze van mindere kwaliteit omdat ze meer woorden nodig hebben om hetzelfde te zeggen. Ware onze poëzie de enige maatstaf voor onze culturele ontwikkeling, dan zaten we nu nog muurvast in de middeleeuwen:
"hebban olla vogola nestas hagunnen" - en wanneer gaan wij eens aan de slag?
© Joris Lenstra
Rotterdam - 2008
♦ Joris Lenstra (Zwolle 1977), studeerde literatuurwetenschappen
aan de Universiteit van Utrecht. Woont en werkt in Rotterdam.
Vertaler van Walt Whitman, Allen Ginsberg, en andere Amerikaanse dichters.
Hij schrijft essays en recensies voor Meander en elke twee maanden organiseert
hij een poëzie podium in de centrale bibliotheek van Rotterdam:
Ongehoord!.
♦ website:
Joris Lenstra
/