Drie liederen voor vier stemmen a capella
muziek:
Rita Knuistingh Neven.
tekst: Peter Swanborn
voor Peter Felix Langeveld †
1. Onder een rode hemel
2. Voor een blinde muur
3. In een verlaten huis
Onder een rode hemel
Vogel, hoog in de lucht,
Waarom draai jij cirkels,
Hang jij biddend klaar
Als wachter van de nacht?
De stenen weg ben ik gegaan
Door het woud, over land,
Tot in de vroege avond, de zon
Reeds onder, de hemel rood.
Blootsvoets, vogel, slimme vogel,
Sta ik op kale grond en schrik,
Vanuit wolken, ver boven jou,
Komen geesten in golven,
In dromen, in koorts op mij af.
Wie kent ze niet? De monsters,
De muizen, de wanen van macht,
Van liefde en lust, ze knagen,
Ze dreigen, schreeuwen, verleiden.
Vogel, wat nu, waar moet ik heen?
Vogel, o vogel, wonderlijk beest,
Ben jij een van hen?
Voor een blinde muur
Muur, blinde muur, hoog en sterk,
Wie heeft jou gebouwd? Muur,
Oude muur, massief als een berg,
Wat staar je mij aan? Ben ik jou
Vergeten? Heb ik iets misdaan?
Muur, rond en gesloten, zeg mij,
Wie van ons was hier het eerst?
Muur, is het geen tijd voor barsten
En breken, voor storten ineen?
De wind wil graag jouw stof verjagen.
Muur, zie mij zitten, hier, ik zal
Niet slaan, schoppen of schelden.
Ik blijf zitten, niets, nee, niets
Doet mij bewegen. Ik zit en zit
En wacht en wacht. Steen
Kan smelten, steen kan bloeien.
Ik zit en wacht, wacht en zit en zie,
Vanuit het niets komen takken,
Bloemen en glanzende vruchten,
Wie, ja, wie ziet nu nog steen?
Muur, laat mij jouw ogen zijn.
Mooie muur, muur van vertrouwen,
Voor jou ben ik gekomen, muur,
Ik zit en wacht, ik zit en weet:
Geen muur laat zich nog vinden.
In een verlaten huis
Keer terug, zei een stem, ga
Terug, het huis van de bron
Is verlaten, vergeten.
Verbaasd stond ik op, terug
Moest ik gaan, terug naar de
Bergen, het huis in het bos.
En zie, de trap en de vloer,
Het bed en de ramen, niets
Is veranderd, het uitzicht van
Vroeger, alleen het gras staat hoog.
Maar stop - ik hoor zingen
In de gang, zie schimmen
In gordijnen. Zeg mij,
Vogel, wat kan ik verwachten,
Nu de sterren verbleken
In het licht van de maan?
Kom, vogel, trouwe vriend,
Jij alleen wijst mij de weg,
De weg naar het gouden veld,
Waar geen mens of dier
Ons klagen hoort. Vogel,
Kom, zit op mijn schouder
Als ik het spook in de lucht,
Als ik het spook voor de muur,
Als ik het spook in dit huis,
Dit lege, bijna verlaten huis,
Dat mij roept als een bron,
Als ik jou op dit late uur,
Vertwijfeld maar bevrijd,
Voor het eerst in de ogen kijk.