TERUG NAAR DE GROTE VERHALEN A.U.B.
‘Lord, help my poor soul.’
De
vermeende laatste woorden van Edgar Allan Poe
I
Naar het schijnt vinden mensen dat er steeds
geavanceerdere manieren gevonden moeten worden om met elkaar in contact te
komen. In het verleden hebben we velerlei volksfeesten gekend, mensen in
dronken buien goten het vriendschappelijk bier over elkanders hoofd en
zwijmelden weg bij elegieën en ridderepiek uit rauwe kelen. Tegenwoordig, in de
tijd waarin de grote verhalen bij het grofvuil zijn gezet, staan de kroegen
ieder weekend stampvol lieden op zoek naar wat nostalgische gezelligheid om
zich aan het eind van de avond teleurgesteld en al dan niet stevig beschonken
op een liefde voor één nacht te werpen Men belt en sms’t zich suf, verstuurt
e-mails naar elkaar dat het een aard heeft en plaatst filmpjes van zingende
vaders op de scrollpagina’s van het exhibitionisme. Maar dat blijkt niet
afdoende te zijn. Vriendensites, die tevens het gemak van de pathetische
eenling op zoek naar een netwerk ter dienste zijn, hebben flink de kop
opgestoken en zijn van plan om nog even te verblijven in onze dagelijkse
beslommeringen. Soms heb ik het idee dat het allemaal nog maar het begin is.
In november van vorig jaar besloot ik aangeschoten door een cocktail van eenzaamheid en een studie die mij niet kon bekoren om ook eens zo’n vriendenpagina voor mezelf aan te maken.
Op een ochtend die niets meer te bieden had dan de zon op haar sterfbed, schoof ik achter mijn laptop en surfde de sites af. De digitale ontmoetingsplaats Ami-cozzz veinsde de meeste leden te hebben en om mij als een schim tussen de menigte te kunnen bewegen opende ik daar een gratis account. Ik uploadde de beminnelijkste foto die ik van mezelf in mijn bestandenalbum kon vinden en gaf onzinnige antwoorden op de onzinnige vragen die gesteld werden. Na alle open vakjes met wat woorden te hebben toegedekt, klikte ik op de button ‘voltooien’ en zag de foto met daaronder mijn ‘profiel’ verschijnen op het beeldscherm. Het blokje met ‘Vrienden & kennissen’ stond als een gapende wond op nul.
II
De eerste dagen gebeurde er niet veel. Ik veranderde enkele keren de achtergrond van mijn pagina (van een verzameling verdorde boombladeren naar een reeks smiley’s bijvoorbeeld) en wiste eenmaal al mijn antwoorden om ze opnieuw in te vullen. Ik had een pagina op
Ami-cozzz, maar van een kameraadschappelijk vertoeven kon ik nog niet echt spreken.
Na ongeveer een week werd ik de elektronische eenzaamheid beu en voegde ik een oude schoolvriend toe aan mijn vriendenlijst. Het bleek te werken; de uitnodigingen stroomden binnen. Joost, wat leuk! Voeg me ff toe, of Hi gozer! Lang niet gezien en gesproken. Hoe gaat het met je?! De berichten leken zich te voeden met het krentenbrood van oude jongens, want toen ik eenmaal mijn vroegere vriendenclubje aan mijn pagina had gelinkt, staken de verhalen die ontelbare keren waren herkauwd en aangedikt weer eens de kop op. Zocht ik dan ook naar de nostalgische gezelligheid? Gehuld in een mantel van bits & bites?
Na verloop van tijd besloot ik een ‘vleselijk’ feestje te organiseren op mijn kamer voor de mensen uit mijn vriendenlijst, die met een grootschalige advertentie op mijn pagina werden gebombardeerd tot ‘beste genodigden’. Uiteraard kreeg ik hierop lovende woorden in mijn inbox (gratis drank en eten voor een bestandje van uitsluitend studenten; een fantastisch idee). Dat ze daar nog niet eerder op gekomen waren.
Mijn gastenlijst zou volledig masculien zijn, daar ik alleen mannen in mijn vriendenlijst had staan. Tenminste, dat dacht ik. Drie dagen voor de fuif opende het volgende bericht zich als een pop-up op mijn beeldscherm:
Dag Joost,
Da’s een tijd geleden. Ik lees hier dat je
een kleine samenkomst van oude bekenden in de planning hebt. Mag ik ook komen?
Lijkt me leuk!
X
Miranda
III
Miranda Ventum. Blonde krullen, blauwe ogen, laag uitgesneden bloesjes. Dat zag ik toen ik haar had toegevoegd. Was ik helemaal vergeten! vlamden haar rode letters mij tegemoet toen ze mijn uitnodiging accepteerde. De laatste keer dat ik haar gezien had, droeg ze nog slobbertruien en had ze het haar altijd in een lange bruine paardenstaart getrokken.
Haar fotoalbum was goedgevuld. Miranda in een Nederlands restaurantje aan de Griekse kust; Miranda met een groep vriendinnen bij een concert van één der onze nederpopartiesten; Miranda op een schuimfeest; Miranda hier; Miranda daar. Ik geef toe dat ik een straaltje jaloezie door mijn lichaam voelde spuiten toen ik haar op afbeeldingen zag met een adonis, die zich toch zeker vier keer in de week in het sportcentrum in het zweet moest werken. Soms zoende hij haar op de wang of knuffelde haar stevig met zijn ballonarmen, op andere plaatjes tilde hij haar met gestrekte armen boven zijn hoofd uit in een subtropisch zwembad. Zijn ogen half dichtgeknepen tegen het sijpelende water van haar bikini. Ik kon haar bijna meisjesachtig horen kermen.
Met een zekere zweem van neerslachtigheid liet ik de muis naar het tabblad ‘Huisje!’ zweven. Ook op deze foto’s bekeek Miranda breed glimlachend de wereld vanuit het kader van haar pagina. Toen ik echter goed en wel besefte in wiens woning deze olijke kiekjes waren geschoten, overviel mij een gevoel dat ik later zou betitelen als doodsangst.
IV
Ach ja, die Miranda Ventum.
Ik ontmoette haar toen ik naar het schoolgebouw liep. Ze zat op het groengeverfde bankje, aan de rand van het door hekken afgezette pleintje, aan een stickie te zuigen.
‘Wil je ook?’ vroeg ze zacht. Ze stak de donkere uitvergrote pretsigaret naar voren. Langzaam kringelde de rook aan weerszijden op. De waas van de verbloeming.
Ik maakte een afwerend gebaar. ‘Nee, bedankt,’ voegde ik daaraan toe. ‘Vertroebelt mijn geest.’ Met mijn wijsvinger draaide ik snel rondjes rond mijn linkeroor.
Ze barstte in lachen uit. ‘Vertroebelt mijn geest!’ kirde ze. ‘Kom even zitten.’
Verrast door de uitnodiging schoof ik mijn schooltas onder het bankje en plofte naast haar neer.
‘Het leven is kut,’ begon ze clichématig haar verhaal vol scheldende ouders die haar Marokkaanse vriendje niet wilden accepteren, leraren die kampten met de doodzonde onbegrip, en het zitten op zwart zaad. ‘Wat ik misschien wel letterlijk bedoel,’ giechelde ze.
Het was het begin van een vriendschap. Een vriendschap die mij veel geld kostte, daar ik elke week kon opdraaien voor haar portie ‘guitigheid’, zoals ze dat noemde.
Na het eindexamen verloren we elkaar uit het oog.
V
Met een zakje wiet in mijn jaszak stond ik op de donderdagavond voor mijn feestje tegen een lantaarnpaal geleund. Ik rookte een ‘schone’ sigaret. Met minieme trekjes namen mijn longen de nicotine op. De versmelting van de purperen schemer met het oranje licht van de straatlantaarns deden mij om de één of andere reden denken aan negentiende-eeuwse romans. Aan de overkant opende een klein vrouwtje een deur. Haar blonde haar had ze in een dikke vlecht gedraaid. Zij was het. Ik voelde mij zo slim en tegelijkertijd ook zo achterbaks. Op haar pagina had ik bij Grootste ergernis gelezen dat ze elke avond nadat ze van haar werk bij Schiphol kwam eerst nog boodschappen moest doen, voordat ze ging koken. Ze had immers geen lieve, keiknappe vriend die dat voor haar kon doen. En producten uit blik waren smeeeeerrriiiiigggg. Ah, geen vriend dus. Wie was dan die jongen op de foto’s?
Ik schudde mijn schouders los om zo nonchalant mogelijk over te komen en stak de straat over. Zachtjes tegen haar aanbotsen, had ik besloten. Dat was de beste tactiek. En dan verbluft reageren.
Ik liep achter haar, vermeerderde snelheid en stootte toen prompt tegen haar schouderblad.
‘Dag Joost,’ zei ze nog steeds recht vooruit kijkend.
Wat was dit?
Met de brede glimlach die ik kende van de foto’s, draaide ze zich om. Haar vlecht zwiepte van haar ene schouder naar de andere.
‘Dat had je niet gedacht, hè?’ vroeg ze toen ze mijn verdwaasde gezicht zag. ‘Je doet het ook zo opzichtig. Maar ik zag je al door het raam, toen ik nog boven was.’ Ze giechelde.
‘Door de mand gevallen,’ bracht ik quasi-verdrietig uit.
Ze duikelde een bosje sleutels op uit de zak van haar spijkerbroek en drukte mij deze in de hand.
‘Wacht maar boven,’ zei ze. ‘Je moet die met het blauwe lipje voor beneden hebben en die ronde goudkleurige voor boven. Ik kom zo.’
VI
Ik herkende de ruimte waarin de foto’s waren genomen niet. Laat dat duidelijk zijn. Ik was er immers nog nooit geweest. Of misschien herkende ik het wel, maar dan uit verhalen die mij verteld waren. Noem je dat ook herkennen?
In ieder geval kende ik de raamkozijnen, wist ik waar de schimmel op het plafond van de badkamer vandaan kwam en rezen mijn haren te berge toen ik de olijke foto zag waarop Miranda triomfantelijk naar het nummer naast de deur wees. Vijftien. Ook het straatnaambordje stond op afgebeeld op de pagina. Knevelstraat. Het adres van een oom van mij die zich in 1996 had opgehangen in zijn slaapkamer. Mijn moeder had mij vaak verteld over de schimmelplek die zich boven de douchekop in de badkamer had gemanifesteerd als een blijvende bezoeker. Hoe vaak er ook overheen geschilderd werd, het dons worstelde zich door de verf heen. Eens had een bovenbuurman de warme kraan van het bad opengedraaid en was daarna op het toilet overleden. Water gleed langs de muren, wat mijn oom de politie had doen alarmeren. Het was geen man die zelf ging kijken wat er aan de hand was. De muren zagen er volgens mijn moeder naderhand weer goed uit, maar die plek op het plafond bleef. Als een monument voor de leerlooier die overleed in zijn eigen stront. De kozijnen die zich om het raam heen krulden had ik vaak van buitenaf aanschouwd. Toen ik als kind aan de hand van mijn moeder langs het gebouw liep (altijd met vlotte tred) vroeg ik mij altijd hoe met moest zijn om op de straat neer te kijken en te beseffen dat het de laatste keer zou zijn dat je zag hoe de kaasboer zijn klanten naar binnen smeekte, hoe het kleermakertje schuin aan de overkant voor het raam de naaimachine afstelde, hoe de geur van bakker’s versbereide bakwerk de menigte het geld uit de zakken klopte. Als waren zij bezeten. Zoals ik nu.
Het is niet moeilijk voor te stellen dat ik het helemaal niet prettig vond om de woning alleen te betreden. Het was mijn bedoeling geweest om Miranda op straat staande te houden en haar te vragen hoe ze het vond, zo op zichzelf wonen. Tijdens het gesprek wellicht een jointje rollen, dat soort dingen. De details van de woning zouden dan vanzelf volgen.
Ik liep door de kamers en probeerde een soort (ja wat eigenlijk) familiegeur te ruiken, die iedereen van mijn moeder’s kant bij zich bleek te hebben. Het was sterker dan parfum, en leek soms meer op een gevoel. Als kind had ik het er wel eens over met mijn moeder, maar zij was veel te nuchter om serieus op mijn ideeën in te gaan.
De slaapkamer joeg mij de meeste angst aan, zonder dat ik deze durfde binnen te gaan. Met mijn hand op de klink dacht ik aan de laatste woorden van Edgar Allan Poe. Zou hij deze uitgekraamd hebben omdat hij bang was voor de gene zijde? Bang voor wat hem zou opwachten? Zou mijn oom hetzelfde gedacht hebben voor hij zijn hoofd in de lus stak? Wat mij nog het meest tegenhield was de bewustwording van mijn zoektocht. De zoektocht naar sporen van een overleden dierbare die mij alleen door verhalen dierbaar was geworden. Wat zou ik aantreffen in de slaapkamer? Dat hield mij tegen. Ik scharrelde terug naar de woonkamer en zag voor mij de muur waar de haak achter de deur nog in de muur stak.
Ik knoopte mijn sjaal om en greep mijn jas van de stoel, toen ik Miranda’s sleutel in het slot hoorde.
VII
‘Zo, dat was dat,’ pufte ze. Met een klap gooide ze boodschappentassen op de grond. ‘Eerst zoenen.’ Ze kwam op mij af met uitgestrekte armen en kuste mij drie keer op mijn wangen.
‘Goed hè, dat ik die sleutels nog had. Waren van mijn ex. Vreemd genoeg heb ik ze nu altijd mijn zak.’
Ik viel meteen met de deur in huis. ‘Mijn oom is hier overleden. Zelfmoord.’
Ze keek me aan. En zei toen tot mijn verbazing het volgende:
‘Dat weet ik. Ik heb contact met hem gemaakt. Met een scrabblebord. Het is niet moeilijk, hoor. Als je hem eens wil spreken, kunnen we hem oproepen. Soms komt hij mijn dromen binnen en vertelt mij wie er binnenkort doodgaat. Ook mensen die ik niet ken. Misschien van jouw familie?’
Ik stond als vastgenageld aan de grond en zei niets.
‘Wil je jouw datum weten? Zo nauwkeurig geeft hij het door.’
Ze probeerde met een blik die ik herkende van bekende televisiemediums mijn handen te pakken, maar ik wurmde mij langs haar en viel meer dan ik liep de trap af. Buiten keek ik naar de door eikenhouten kozijnen omlijste ramen van Miranda’s woning. De avond had het daglicht nu volledig uitgewist. Met een gevoel van lichte misselijkheid dat in mijn maag was opgeborreld, als na een flinke drankavond, liep ik snel weg van het gebouw. Miranda kwam niet achter mij aan. Ze stond ook niet voor het raam.
Ik snelde naar de dichtstbijzijnde kroeg, die zich in de schaduwen had gevestigd. Ik had behoefte aan gezelschap, het liefst van een dronkaard die één der grote verhalen te berde zou brengen voor het slapengaan.