[ home ]
[ volume 5, issue 1, winter 2010 ]
blue-turns-grey
bert lema
Voorouders
Ze staan achter de gordijnen
kind te zijn
we bezoeken nooit hun graf
er staat geen tijd op die dingen
de gordijnen wiegen licht
ze staan uit het venster te kijken
naar hun eigen hof
er klinkt een gedruis als van de zee
je zegt ik wil naar zee
maar wat je hoort is het bloed in je lijf
je vertrekkensklare stemming
ik zeg schat de zee
gaat nergens heen
ze wiegt slechts in een bekken
achter de gordijnen
spitsen voorouders de oren
er is een drang tot gesprek
je zucht je woelt
ik ga naar de keuken
betrap de fruitschaal het kruidenrek
in de nacht die laat horen
een beest een vliegtuig
een gesprek haast verstaanbaar
ik lach veel er is miserie
voorouders laten zich overal achter
borden glimmen lepels blinken
messen laten zich zien in flitsen
tot ik het tafereel weer herken
ik zit in de keuken
vrouw en kinderen slapen
ik zit te tasten naar aanwezigheid
goesting en zeer op gezichten
die er niet meer zijn
ik ben wakker ik zucht en woel
ben het treurend geheugen van de keuken
tot ik een vent zie zitten
weinig verschil van vent tot vent
bekende klacht bekende kwinkslag
hij tast naar mij ik sta
achter gordijnen
hoe doorlaatbaar laten we ons
zijn ik kijk naar de hof
het gazon vol gaten
bezaaid met kippen en konijnen
geloop van kluif en knook
het is nacht een vent beschermt
zijn slapend gezin
tegen de nacht tegen zijn eigen
de belager ben ik
zijn pa zijn opa zijn voorouder
hoe wordt dit best in scene gezet
de één ziet niet de ander
één voelt nog de ander
herinnert zich misschien
het is een scene met gordijnen
angst maakt zoveel geheimen
en ingewijden
ontcijfer de letters bereken het woord
verandering schokt
de keuken één en al venster
één en al gordijn
dan is het ochtend ze komen binnen
mijn kinderen mijn belagers
dan mijn vrouw
ik wil de nacht verantwoorden
maar zij heeft haar nacht
ze lacht we zijn gelijken
en gaan niet bij mekaar te biecht
Brandnetels
Een wegel mondt uit in
brandnetels dicht en hoog
om hierdoor te geraken
wrijf ik mijn ogen uit
de dag druipt
achter struiken staan dieren
tractoren keren de velden
alles in het licht van zijn eigen
licht dat snijdt dat openlegt
in zich laat kijken
ik zie een brand van bladeren
mijn geheugen vullen met jaren
hetzelfde raadsel
kersen die voor ogen hangen
het proeven van zomer op zomer
wordt gif
er is geen ander raadsel
ik sta een hoop brandnetels
ongedaan te maken
niets dan ademhaling
kruinen worden licht
schors schuurt vel ik streel
de verweerde vrouw
die uit de brandnetels komt
ze vertelt haar zeer de keren
dat er over haar heen is gegaan
ik streel haar moederwang haar meisjeshand
ik sta in haar brand ik zie
skeletten tussen stengels
de vrouw gaat liggen ze slaapt
jarenlang tot paden
zijn verdwenen en we weer
maaiend door brandnetels gaan
in een richting die we ons herinneren
van voor ons leven
naar asfalt rook
we zetten ons de rust
trekt al wat insleet strak
de groeven de geulen de beddingen
die we trokken met zere nagels
het bekken van ons geheugen
dat woedend volliep
zomer brandt in mijn ogen
om hierdoor te geraken
stel ik mijn vel bloot
aan jeuk aan wesp aan straling
zij verdraagt het met minder morren
ze kent het baren het verlies
dat het geeft elk moment
lekt weg
ik ga door brandnetels die niet wijken
ze groeien me boven het hoofd
overal een schemer
van borsten billen benen
een geklater soms heel ver weg
soms aan mijn oor een geschater
wat zijn die bewegingen
die jeukende ritselingen
waarin ik sta een vent
die zich niet meer traint voor nirvana
zich wil verzoenen met kwetsuren
van een vrouw
geur die dieper doordringt
dan monnikengezang
ik ben ze genegen de brandnetels
niet te lieflijk niet te schoon
ze houden me in twijfel
gaat het nog kan ik voort
een vrouw toont haar kwetsuren
ze zegt het is mijn aard
jij kan het niet begrijpen
geen van je organen is verschoven
om plaats te maken voor een kind
bij haar liggen is vergaan van de jeuk
eczema van het onbegrip
bijt als regen
om hierdoor te geraken
stop ik met speuren
naar resten van eigenheid
laat die kluiven liggen
verderop is het veld
breed het helt
het is vocht vezel onherroepelijkheid
de vrouw komt dichtbij me staan
neemt afscheid
de brandnetels staan hoog en dicht opeen
ik zal er doorheen gaan
♦ Bert Lema (1969) publiceerde in De Brakke Hond, Bunker Hill, Tortuca, NWT, Yang, Dietsche Warande & Belfort, Komkommer & Kwel en Meander. Onlangs verscheen zijn bundel Traag is uw verbazing