| Belofte bij een naderend huwelijk Hij belooft haar zwarte bergen en gitaren, hij verzint haar stamboom als een koosnaam in de keuken. Hij laat het feest beginnen, eerst lui als een bonte koe tegen de horizon, dan sneller als muggen bij naderend onweer. Zij gelooft hem in alles en nog meer. Zij volgt zijn ogen, slaat de dagen neer. Op tafel Zo mooi lig ik hier languit in mijn natte kleren, een wond onder het plafond. Een groene naald dringt aan bij de voet van mijn duim. De dokter blaast snijdend uit. Bemoedigend. Op een stoel lacht mijn vader vaag. Dit is zijn sneeuwterrein, wezenloos, praatgraag. Niet langer De dauw staat op de struiken en op het huis van de buren. Gisteren sneden we speelgoedvloeren uit restpartijen oud parket. Maar deze ochtend lijkt in de lucht te hangen, vreemd. Niet langer ben ik hardhorend voor de pluis van deze streek. |