FURIE
Je kunt misschien de moeilijkste sommen oplossen, de sleutel tot ultieme wijsheid hebben gevonden of volgens een particulier systeem, door jou in elkaar gezet, elke vrouw tot overgave dwingen (op seksueel en spiritueel vlak), dan nóg blijft er altijd iets op je weg staan, een dikke muur, waar je niet voorbij komt. Je kunt die dikke muur negeren en je erbij neerleggen dat hij er in al zijn afzichtelijke grandeur altijd onomstotelijk zal blijven staan en nuchter ervoor kiezen om je toe te leggen op de zaken die je wél bereikt hebt en die wél in je macht liggen. Maar je kunt je ook, zoals ik, willens en wetens blind staren op de onrechtvaardigheid en de dikte van die muur. En geneigd zijn te denken dat zolang die muur niet geslecht of op zijn minst uitgedaagd is om spontaan in elkaar te storten, alle ondernemingen tamelijk kleurloos en weinig de moeite waard zijn. Om deze reden zullen veel mensen op mijn begrafenis vermoedelijk tot de (openlijk uitgesproken dan wel zorgvuldig verzwegen) conclusie komen dat ik in mijn leven zo goed als niets tot stand heb gebracht, maar zelf weet ik dat ik buiten de schijnwerpers in een duizelingwekkend creatieve bui van tientallen jaren die dikke muur op steeds weer nieuwe, revolutionaire manieren aan het wankelen heb proberen te brengen. Toegegeven, het is uiteindelijk niet gelukt. Er resteert geen enkel bewijs van mijn inspanningen: de muur bleek volstrekt onaantastbaar. Maar wat geeft dat? Elke dag dat ik mijn best heb gedaan om ‘m omver te krijgen, was een furie van onderzoek, denkkracht, onverzettelijkheid. En wat voor één!
BLONDINES
Hij weet niet wat er boven zijn hoofd hangt (blondines). Als hij de delegatieleden ontvangt, ze het tien etages hoge kantoor rondleidt, zoveel mogelijk wetenswaardigheden vertelt over de geschiedenis van het gebouw en dat gedoseerd vermengt met de opmerkelijkste prestaties die er de afgelopen jaren geleverd zijn, heeft hij feitelijk geen flauw benul van het soort mensen waartegen hij spreekt. Hij weet niets van hun werkelijke reden om hier op bezoek te komen. Laat staan dat hij in de verste verte begrijpt van welk strategie dit bezoek een onderdeel is. Wat hem na pakweg een kwartier wel opvalt is dat het hem met geen mogelijkheid lukt via een stembuiging of anekdote een beetje leven in de delegatie te krijgen. Het vijfkoppige gezelschap volgt hem in een gesloten formatie naar de meest afgelegen plekjes in het kantoor (op een gegeven moment staan ze met z’n zessen onhandig opeengehoopt in een klein keukentje), zonder dat er een knikje of glimlachje van af kan. Omdat het verlangen een bres te slaan in de delegatie en meer te weten te komen over elk lid individueel (ze hebben toch zeker niet allemaal dezelfde naam en DNA-structuur?) in hoog tempo toeneemt, stelt hij, sneller dan hij van plan is, voor om naar de grote vergaderruimte te gaan en de bespreking te beginnen. Ook in de lift naar boven doet hij met het debiteren van een mopje nog een ultieme poging om de sfeer te verluchtigen, maar niemand uit de delegatie lijkt in de stemming om uit zijn of haar rol te vallen. Gevolg: het mopje wordt door niet meer beantwoord dan twee afgemeten kuchjes en de zachte zoemtoon van een stijgende liftcabine. Wanneer iedereen even later is neergezegen in de luxe stoelen rond de vergadertafel en de delegatieleden, vrijwel simultaan, hun koffertjes open klikken, kan hij onmogelijk vermoeden dat ze hem een volkomen oneerbaar voorstel gaan doen en in geval van verzet zijnerzijds al een interessant bedrag hebben klaarliggen om dat verzet te breken, evenals een adembenemend avond- en nachtprogramma waarvan wilde seks met vijf uit Zweden overgevlogen blondines één van de onderdelen vormt. Toch is het zo en dat maakt de moeite die hij doet om het gesprek correct en in een goede sfeer te laten verlopen des te aandoenlijker.
DOKTER
‘Hé, hallo! Ik had je hier al om tien uur verwacht.’
‘Dan moet dit een fikse tegenvaller zijn.’
‘Dat is het zeker, ja. Het is nu bijna half twaalf!’
‘Correct.’
‘En wat is jouw reactie daarop?’
‘Dat je volkomen gelijk hebt. Het is bijna half twaalf.’
‘Je bent dus bijna anderhalf uur te laat.’
‘Is dat zo? Ben je nu niet bezig jouw verwachtingspatroon klakkeloos op de werkelijkheid te plakken?’
‘Ja. En wat is daar mis mee?’
‘Dat het snel een rommeltje wordt, als je niet uitkijkt.’
‘Een rommeltje? Hoezo?’
‘Let maar eens op: de werkelijkheid blijft over het algemeen voortdurend en bijna in alles achter bij ieders verwachtingspatroon. Ook bij de jouwe. Als je al die teleurstellingen gaat boekhouden, word je stapelgek.’
‘Feit blijft: jij bent te laat. Véél te laat!’
‘Alleen volgens jouw op hol geslagen boekhouding.’
‘Wacht even. Wat ga je nu weer doen?’
‘Lunchen.’
‘Maar je bent net binnen!’
‘Oké. En jouw verwachtingspatroon zegt natuurlijk: “als hij net binnen is, mag hij niet meteen weer naar buiten”.’
‘Dat zegt niet alleen mijn verwachtingspatroon. Dat zeg ikzelf net zo hard!’
‘Zie je wel? Jij en jouw verwachtingspatroon houden elkaar in een dodelijke omklemming. Heel ongezond. Als ik jou was, zou ik een afspraak maken bij de dokter.’
‘...’
‘Nou, doei! Tot morgen.’